|
Bhagavad Gita in Dutch Language
Text
courtesy of American Gita Society (AGS),
www.gita-society.com."
All works of AGS may be used without a written permission
for non-commercial purposes only. Text under " " must appear on
your website or wherever IGS material is used.
This is a revised version, based on local Gîtâ translations,
as read in our abbreviated Gîtâ Edition "Boven de Religie".
Our own Dutch IGS Edition based on
Dr. Ramananda Prasad’s work is
under preparation.
by
Philippe De Coster, DD, president
GITA SOCIETY OF BELGIUM
Parklaan, 81
B9000, GENT
BELGIUM
E-mail contact: fb060913@skynet.be
De Bhagavad Gita in het Nederlands
(Het Boek
van Yoga en Bezinning)
vertaald
door
Philippe
L. De Coster, D.D
Naar het
Sanskriet en het boek van
Ramananda Prasad, Ph.D.
The American/International Gîtâ
Society
(Afdeling: België)
De
Bhagavad-Gîtâ - Inleiding
Deel I
De Bhagavad-Gîtâ is de
leer van de universele waarheid. Haar boodschap is dus één, subliem, en
geenszins sektarisch alhoewel het als dusdanig een gedeelte is van de Sanaatana
Dharma, de drievoudige Heilige Schrift, beter gekend als het Hindoeïsme.
De “Gîtâ” afgekorte
benaming van deze Heilige Schrift is door gevorderde lezers in eender taal
gemakkelijk te begrijpen. Door het veelvuldig lezen in geloof en vertrouwen is
het boek een bron van inspiratie.
De Gîtâ is de meest
wetenschappelijke metafysische leer, waarbij de psycholoog Carl Gustav Jung
eigenlijk niets nieuws heeft gevonden omtrent het “Zelf” of de “ziel”, de kern
van elk mens zelf.
In de Thora spreekt de
Allerhoogste door Mozes en de profeten, in het Evangelie door Jezus van Nazareth
en de apostelen, en in de Koran door de profeet Mohammed, althans wat de diverse
religieuze tradities als geloofswaarheid bekrachtigen. In de “Bhagavad-Gîtâ”,
het Lied van de Alvervulde, wordt de Allerhoogste “Krishna” in Eigen Persoon te
spreken, en dat maakt de Gîtâ tot de gewichtigste theïstische openbaringstekst
die de wereld godsdiensten beschikken. Tevens leert deze Heilige Schrift aan de
mens een proces van individuatie. Dit is een psychisch rijpings- en
differentiëringsproces van het Zelf: de verwezenlijking van het Zelf, die de
mens leidt naar innerlijke evenwichtigheid en naar de ontwikkeling van de
individuele psyche als een wezen dat van de collectieve psyche onderscheiden is,
en toch met elkaar verenigt, de microkosmos in de macrokosmos.
De individuatie
geschiedt eigenlijk door twee bewegingen, namelijk door een levenshouding om de
hogere waarden van het leven te bevorderen in het licht van een bepaalde
filosofie als deze van de Bhagavad-Gîtâ, die uiteindelijk de praktijk van de
meditatie moet vergemakkelijken, namelijk mediteren in een rustige en
gecontroleerde lichaam. Door de meditatie zal het “Ik” zich moeten
vereenzelvigen met het “Zelf” en het “Zelf” (Ziel) zal, alhoewel deelachtig aan
de diepste coëxistentie toch moeten komen tot de grootst eigen en afzonderlijke
ontwikkeling.
De Bhagavad-Gîtâ
beantwoordt twee universele vragen: wie ben ik, en hoe kan ik een gelukkig en
vredig leven leiden in een wereld van grote verscheidenheid! De Gîtâ is een
Yogaboek van morele en geestelijke groei.
Hier volgen om uw
aandacht te vestigen op de Bhagavad-Gîtâ, de grondbeginselen van een vruchtbare
meditatie, genomen uit hoofdstuk 6, de “Verbinding door Meditatie”, de verzen
10-15:
10.
Wie naar het
bovenzinnelijke streeft, dient altijd te trachten zich op het Allerhoogste Zelf
te richten; hij behoort zich af te zonderen op een eenzame plaats en steeds
aandachtig zijn geest te beteugelen; hij dient vrij te zijn van alle begeerte en
elk bezits-gevoel.
11.
Om yoga te beoefenen
dient men naar een eenzame plaats te gaan en er kuśa-gras op de grond leggen en
dit bedekken met een hertevel en een zachte doek. De zitplaats mag niet te hoog
en niet te laag zijn en moet zich op een heilige plek bevinden. De yogï
dient dan in zeer rechte houding yoga te beoefenen door geest en zinnen te
beteugelen, het hart te reinigen en de geest op één punt te richten. (Verzen
11-12)
13.
Men dient romp, hals en hoofd recht opgericht
te houden en onafgebroken naar de punt van de neus
te staren. Met onbewogen, bedwongen geest, vrij van angst en volkomen vrij van
geslachtelijkheid, dient men in zijn hart op Mij te mediteren en Me het einddoel
van zijn leven te maken. (Verzen 13-14)
15.
Terwijl hij op deze wijze tracht lichaam,
geest en aktiviteiten te beteugelen, bereikt degeen die het bovenzinnelijke
nastreeft het koninkrijk Gods (Krishna’s woning) door beëindiging van zijn
stoffelijk bestaan.
De
Bhagavad-Gîtâ
Deel II
De Gîtâ’s boodschap benaderde de mensheid in de persoon van Arjuna’s
weigering zijn plichten als een strijder te vervullen, daar voor hem vechten
ondergang en dood betekende. Geweldloosheid of Ahimsa is een van de fundamentele
leerstellingen van het Hindoeïsme. Al dat leeft, de mens of andere wezens
evenals de natuur, zijn heilig. De onsterfelijke dialoog tussen de Alvervulde
Krishna, en Zijn toegewijde vriend, Arjuna, gebeurt niet in een tempel of een
afgezonderde woud, of op de top van een berg, maar op een oorlogsveld en op de
vooravond van een oorlog, hetgeen in het grote heldendicht van de Mahaabhaarata
wordt verhaald. De Heer Krishna in de Gîtâ geeft aan Arjuna de goede raad
op te staan om te gaan vechten. De opdracht te gaan vechten zou een misverstand
onder de lezers kunnen veroorzaken tegenover de princiepen van Ahimsa indien de
achtergrond van de Mahaabhaarata niet wordt uitgelegd. Als vriend van de Heer
Krishna was Arjuna boven alle onwetendheid verheven, maar op het slagveld
van Kuruksetra werd hij in onwetendheid gedompeld teneinde de Heer Krishna te
kunnen ondervragen in verband met het probleem van het bestaan, zodat de Heer
hem kon antwoorden ten behoeve van de komende geslachten, de mensheid zelf, en
om het goddelijke levensplan te openbaren. Van nu af aan, kan de mens
overeenkomstig met de goddelijke openbaring leven en volmaaktheid
bereiken.
Het Mahaabhaarata
houdt een historisch verband van de bewapening van de grote koning Bharata en
zijn nageslacht tot aan de drie zoons van koning Vicitravïrya: Dhrtarästra,
Pändu en Vidura. Als oudste zoon had Dhrtarästra de troon moeten erven
maar daar hij blind was sedert zijn geboorte, viel de macht toe aan zijn jongere
broer, Pändu. Pändu had vijf zoons: Yudhisthira, Bhïma, Arjuna, Nakula en
Sahadeva: Dhrtarästra had er honderd, waarvan de hoofdpersonage Duryodhana
noemde.
Dhrtarästra kon niet aanvaarden dat zijn jongste broer de troon zou erven,
en hij onderrichte zijn zoons op in de vaste geloofsovertuiging dat de wereld op
een zekere dag door hen zou worden geregeerd in plaats van de Pändava’s, de
zonen van Pändu. Zo groeiden Duryodhana en zijn vele broers op terwijl ze de
eerzucht van hun vaders vervulden, in trots en hebzucht. Ongelukkiglijk stierf
Pändu voortijdig, terwijl zijn zoons onder de voogdij van Dhrtarästra werden
geplaatst. Deze trachtte hen en hun moeder, Prthä, die tevens Kuntï genoemd
werd, te doden. Maar de duistere plannen van de blinde Dhrtarästra werden
verijdeld hoofdzakelijk door de tussenkomst van Vidura, de oom der Pändava’s, en
de barmhartige bescherming van de Heer Krishna.
De krijgsmacht en de leiders van die tijd, de ksatriya’s, hielden zich aan
een erewoord, volgens welke het hun streng verboden was een uitdaging te
verzuimen, of het nu ging om strijd of spelen zoals gokken. Door oplichterij en
misbruik van deze regel, slaagde Duryodhana erin de vijf broers het koninkrijk
af te nemen en zelfs hun absolute vrijheid, want hij dwong hen twaalf jaren in
ballingschap te gaan. Toen de twaalf jaren voorbij waren, begaven de Pändava’s
zich aan het hof van Duryodhana en vroegen hen een stuk land om het te besturen,
naar de regels van de ksatriya’s, namelijk dat een krijgsman geen andere functie
kon vervullen dan die van beschermer of vorst. De Pändava’s hadden genoeg
met slechts een dorp, maar Duryodhana gaf hen op een brutale wijze te verstaan,
dat ze nimmer zoveel grond zouden krijgen, zelfs niet groot genoeg om er een
naald door te steken.
Arjuna en de broers hadden verder geen andere keus dan bijstand te nemen
tot wapen activiteit; en, zo begon er een strijd van kolossale omvang. De
voorname krijgslieden van die tijd uit de gehele wereld, waren opgetrokken,
hetzij om Yudhisthira, de oudste van de Pändava’s op de troon te zetten, hetzij
om het te verhinderen, stelden ze zich bij Kuruksetra op voor de strijd. De slag
van Kuruksetra duurde slechts achttien dagen, maar betekende de dood van het
legendarisch getal van 640 miljoen mensen. De Vedische beschaving was,
inderdaad, heel belangrijk en volmaakt in de krijgskunst.
Aan het begin van de slag om Kuruksetra, kwam de Heer Krishna te
voorschijn om ertussen te komen en aldaar tot een akkoord te komen en een
vreedzame regeling bereiken. Toch, ondervindt de Heer Krishna dat Duryodhana
vastgesteld heeft naar eigen welbehagen de aarde te overwinnen en zich te
ontdoen van de Pändava’s, die zijn eigen troonbestijging in gevaar zouden
brengen.
Als oprechte, nedere en zuivere toegewijden van de Heer Krishna, die
leefden volgens de hoogste zedelijke normen, zien de Pändava’s de Heer
Krishna als God en de Allerhoogste Persoon, maar de zonen van Dhrtarästra deden
het niet. In ieder geval stelt de Heer Krishna voor, deel te nemen aan de
strijd, waarbij de beide tegenpartijen mogen kiezen hoe Hij ze kan helpen.
Hij zal niet meestrijden in eigen Persoon, maar Zijn troepen bevelen met de ene
partij mee te vechten, terwijl Hij Zelf naar de andere kant als raadgever is
gegaan. De Pändava’s stonden onder de bescherming en kregen bijstand van de Heer
Krishna, terwijl Duryodhana zijn leger met de troepenmacht van de Heer Krishna
ziet versterken.
Het verhaal eindigt dat de Heer Krishna de Wagenmenner werd van Zijn
toegewijde en innige vriend Arjuna. En, hier begint de Bhagavad-Gîtâ: de legers
staan in slagorde tegenover elkaar en Dhrtarästra vraagt ongerust aan zijn
secretaris Sanjaya om rapport over de situatie op het slagveld.
Men dient steeds de glorie en de grootheid van de Schepper indachtig te
zijn, hetgeen de psycholoog Carl Gustav Jung de naam “God” als het Collectieve
Onbewuste en Archetypen verwoord, waarbij de schepping verder door de mens wordt
afgehandeld, en het vervullen van onze plichten zelfs wanneer op een bepaalde
ogenblik geweld niet kan worden uitgesloten.
Bepaalde personen voelen zich naar het geestelijk leven geroepen, terwijl
anderen er geen tijd voor hebben. De boodschap van de Heer Krishna is om gans de
ontwikkeling van ons persoonlijk leven te heiligen, en onze ondernemingen tot
meerdere glorie en voldoening van de Schepper. Geen enkele bijzondere inspanning
is er voor nodig, daar het enkel gaat om de vervulling van onze plichten als een
dienstbewijs aan de Heer, in alles God te zien en de mensheid in Hem. De
Bhagavad-Gîtâ is een leidraad die onze spirituele denkvermogen met de Heer
verbindt.
Teneinde, zich
geestelijk te ontwikkelen, dient persoonlijke discipline en eenvoud van kracht
te zijn, een gezonde levenswijze, onbaatzuchtige dienstverlening (waarbij
zelfverrijking is uitgesloten), yoga praktijken, meditatie, eredienst, het
gebed, rituelen, studie van de Heilige Schriften, en verblijven in het
gezelschap van heilige mensen, het aanroepen van de Heilige Namen Gods, en
dagelijks zelfonderzoek zijn nodig om het lichaam, de gedachte en het intellect
te zuiveren. Iederéén moet proberen de begeerte zowel als de toorn te beheersen
om de zes zintuigen te zuiveren (het gehoor, het gevoel, het zicht, de smaak, de
reuk en het persoonlijke onbewuste.) We moeten allen in herinnering brengen dat
alles wordt volbracht door natuurlijke energieën, en dat hij of zij niet de
daders zijn maar de instrumenten. Iederéén dient naar volmaaktheid te streven in
alle prestaties, en steeds een gezonde evenwicht aanwakkeren in goede en slechte
dagen, in overwinning of nederlaag, in winst of verlies, in pijn zowel als in
genot.
Lezing uit de Bhagavad-Gîtâ, hoofdstuk 6, de verzen 16 tot en met 23:
(16) Men kan met geen
mogelijkheid yogï worden, O Arjuna, als men te veel eet of the weinig eet, te
veel slaapt of the weinig slaapt.
(17) Wie gematigd is
in zijn eet-, slaap-, werk- en ontspannings-gewoonten, kan alle stoffelijke pijn
verzachten door yoga te beoefenen.
(18) Wanneer de yogï
door yoga-beoefening de activiteiten van zijn geest beteugelt en – verstoken van
alle stoffelijke begeerte – in het bovenzinnelijke gevestigd raakt, heet hij tot
yoga te zijn gekomen.
(19) Zoals een vlam op
een plek uit de wind niet flakkert, blijft degeen die het bovenzinnelijke
nastreeft, wiens geest beteugeld is, voortdurend evenwichtig in zijn schouwen
van het bovenzinnelijke Zelf.
(20-23) De staat der volmaaktheid, waarin de
geest door yoga-beoefening volkomen beteugeld is in zijn fijnestoffelijke
activiteit, wordt trance of samãdhi genoemd. Deze staat wordt gekenmerkt door
het vermogen dat men met de zuivere geest het zelf kan aanschouwen en ervan
geniet en zich erin verheugt. In die blije toestand verkeert men in grenzeloos
bovenzinnelijk geluk en geniet men door bovenzinnelijke zinnen. Eenmaal in die
staat, kan men niet meer van de waarheid scheiden. Wie dit bereikt heeft, denkt
dat er niets heerlijkers te bereiken is. Wie in zo’n bewustzijnstaat verkeert,
raakt zelfs in de ernstige moeilijkheden nimmer uit zijn evenwicht. Dit is
waarlijk vrijheid van alle leed, dat voortkomt uit de aanraking met de stof.
Meditatie eist dus
zelfbeheersing in alle opzichten en nadien, wanneer het werk van mediteren
gepaard gaat met alle vereisten hierboven vernoemd, zal haar doel beantwoord
zijn. Fanatisme is zeker niet aan de orde, hetgeen de Gîtâ duidelijk maakt. Met
recht kan men de meditatie beschouwen als een deel van dat natuurlijk proces
waardoor de mens tot dusver is vooruitgebracht langs het pad van de evolutie.
Langs de Bhagavad-Gîtâ loopt de gouden draad van het goddelijk doel; en de wijze
waarop het goddelijk doel zich openbaart; en de wijze waarop het bewustzijn van
de mens overgaat tot het besef van het leven in de ziel, en de
ziel-gewaarwording is meditatie. Door meditatie komt geestelijke kennis in het
denkvermogen tot het rijpen, kennis en wijsheid.
De
Bhagavad-Gîtâ
Deel III
Het doel van de Bhagavad Gîtâ is om de mensheid te verlossen van de
metafysische onwetendheid waarin haar bestaan verkeert. Een heilige Schrift die
de stem is van het transcendente kan niet echt worden vertaald. De taal en
vertalingen zijn onbekwaam om in alle duidelijkheid de kennis van het
Absolute echt mede te delen. In deze richting, een poging is steeds gedaan om zo
dicht mogelijk bij de grondtekst van het Sanskriet te blijven terwijl men de
lezing gemakkelijk en begrijpelijk willen houden. Het is vooral het werk geweest
van Dr. Ramanand Prasad toen hij de Gîtâ uit het Sanskriet vertaalde. In de
Nederlandse taal gebruiken we de vertaling van Sri Srimand A.C. Bhaktivedanta
Swami Prabhupada versie, “De Bhagavad-Gîtâ Zoals Ze Is”. De aangehaalde
vertalingen op bladzijde twee zijn trouwens allemaal aan te raden. Zover hebben
we de drie Nederlandse vertalingen gevonden, want er zijn waarschijnlijk meer.
Andere vertalingen graag door jullie medegedeeld.
Volgens de heilige Schriften, geen enkel zonde hoe afschuwelijk ook, kan
de mens ooit aantasten die de Gîtâ leest, overweegt, en de leer in praktijk
brengt, niet meer zoals het lotusblad tegen het water is bestand. De Heer zelf
verblijft waar de Gîtâ wordt bewaard, gelezen, gezongen en onderwezen. De Gîtâ
is de Verheven kennis en de precieze uitdrukking van het Absolute en de
Eeuwigheid. Hij of zij die de leer van de Gîtâ leest, overweegt, en praktiseert
in geloof, vertrouwen en devotie gaat de Moksha, bedoeld de Nirvana door Gods genade zeker bereiken.
Meester Eckhart, Duitse mystieker van de 13e eeuw, volgt op:
“Kennis heft de ziel op tot het niveau van
God; liefde verenigt de ziel met God; door er gebruik van te maken wordt de ziel
tot God vervolmaakt. Deze drie voeren de ziel rechtstreeks uit het tijdelijke in
het eeuwige.”
Meester Eckhart: Franz Pleiffer)
Bij de ware verlichte yogi treffen we de combinatie van de mystieker en de
kenner tegelijk. Door meditatie wordt de yogi de “kennis van vereniging”. Het
verlichten van het denkvermogen en het doorgeven van diens kennis en wijsheid
door de ziel, zoals het wordt ontluikt in de Bhagavad Gîtâ is het voorrecht van
de ziel, waarvan het resultaat de vereniging is van hoofd en hart, van liefde en
verstand zoals in de komende meditatie schema wordt aangehaald.
Voorheen nog dit, Carl Gustav Jung die het licht in het hoofd herkent,
waarbij verdere bewijzen niet behoeven:
“... de licht-visie is een ervaring die vele
mystieken gemeen hebben en is ongetwijfeld van de grootste betekenis, omdat het
in alle tijden en op alle plaatsen verschijnt als dat onvoorwaardelijke, dat in
zichzelf het grootste vermogen en de diepste betekenis verenigt. Hildegarde von
Bingen, die naar haar mystiek een betekenisvolle persoonlijkheid was, drukt zich
betreffende haar centrale visie op gelijkluidende wijze uit. “Sedert mijn
kindsheid,” zegt zij, “zie ik altijd een licht in mijn ziel, maar niet met
uitwendige ogen, evenmin door de gedachten van mijn hart; noch nemen de vijf
uitwendige zintuigen deel aan deze visie... Het licht dat ik waarneem, is niet
iets plaatselijks, maar veel helderder dan de wolk die de zon verbergt. Ik kan
er geen hoogte, breedte of lengte bij ontwaren... Ik kan in dat licht geen
enkele vorm herkennen, ofschoon ik er soms een ander licht in zie, dat mij
bekend is als het levende licht... Terwijl ik het schouwspel van dit licht
geniet, verdwijnen alle verdriet en zorgen uit mijn herinnering...”
“Ik ken enkele mensen die uit persoonlijke
ervaring met dit verschijnsel vertrouwd zijn. Voor zover het mij ooit mogelijk
is geweest het te begrijpen, schijnt het te maken te hebben met een verscherpte
toestand van bewustzijn, die even intensief als abstract is, een ‘onhecht’
bewustzijn... dat, zoals Hildegarde nadrukkelijk opmerkt, gebieden van
psychische gebeurtenissen tot het bewustzijn doet doordringen welke gewoonlijk
in duisternis gehuld zijn. Het feit dat in verband hiermede de algemene
lichamelijke gevoelens verdwijnen, toont aan dat hun bepaalde energie eraan is
onttrokken en klaarblijkelijk ertoe medewerkt, de helderheid van bewustzijn te
verhogen. Als regel treedt het verschijnsel spontaan op, komt en gaat naar eigen
initiatief. Het gevolg ervan is in zoverre verwonderlijk, omdat het altijd de
oplossing van psychische complicaties met zich brengt en daardoor de innerlijke
persoonlijkheid van emotionele en ingebeelde verwarringen bevrijdt en zo een
eenheid van bestaan schept, die algemeen als ‘verlossing’ wordt ervaren.”
(The Secret of the Golden Flower, door Richard Wilhelm en Jung)
Deze woorden kan iedere ervaren yogi in meditatie ondubbelzinnig
onderschrijven. Het verschijnsel komt zeer veel voor en draagt er zeker toe bij,
te bewijzen, dat er een nauwkeurige overeenkomst bestaat met de mentale
verlichting. Met dit licht in het hoofd, dat de verlichtingstoestand schijnt te
vergezellen, hebben we vermoedelijk ook de oorsprong van de stralenkrans die om
het hoofd der verlichten van de wereld wordt afgebeeld.
De denkbeelden van Meester Eckart en C.G. Jung vinden we duidelijk in de
Bhagavad Gîtâ die ver voor onze tijdrekening werd geschreven.
“Wankel is het denkvermogen, O Krishna,
onstuimig en krachtig; zijn beteugeling houd ik voor even moeilijk te volbrengen
als die van de wind.
Ongetwijfeld... is het denkvermogen moeilijk
te breidelen; doch door onverdroten oefening... wordt het bedwongen.
Wanneer Uw ziel de verwarring van de waan te
boven zal komen, zult ge geen acht meer slaan op wat U geleerd wordt of werd.
Eenmaal los van de traditionele leer, zal Uw
ziel standvastig zijn, vast in de aanschouwing der ziel, dan zult ge eenheid met
de ziel bereiken.”
(Bhagavad-Gîtâ)
Het meditatie-proces bestaat uit vijf delen, waarbij de ene stap
naar de andere leidt, en deze zijn:
(1)
Concentratie: Dit is de handeling
van het concentreren van het denkvermogen op een punt, waarbij men leert hoe het
te richten en te gebruiken.
(2)
Meditatie: Het concentreren van
de aandacht in een bepaalde richting waarbij het denkvermogen standvastig
gericht blijft op een gewenst denkbeeld.
(3)
Contemplatie: Een voltooiing van de
ziel, los van het denkvermogen, waarbij de yogi in een toestand van rust wordt
gehouden.
(4)
Verlichting: Het resultaat van de
drie voorgaande processen, en dat houdt in dat de ontvangen kennis naar het
hersens bewustzijn wordt overgebracht.
(5)
Inspiratie: Het gevolg van de
verlichting, die leven van “actie en dienst” tot gevolg heeft.
De Bhagavad-Gîtâ zegt (8:12-13):
“Yoga betekent dat men zich onthoudt van alle zinsbedrijvigheid. Door alle
poorten van de zinnen te sluiten, de geest te richten op het hart en de
levenskracht op het hoogste punt van het hoofd, verankert men zich in yoga.
Wanneer men zich aldus in yoga bevindt en de heilige lettergreep OM, de
allerhoogste lettercombinatie, laat klinken, en aan de Allerhoogste
Persoonlijkheid Gods denkend zijn lichaam verlaat, zal men zeker de geestelijke
gewesten bereiken.”
De heilige Schrift heeft haar plaats, maar het is door directe realisatie
dat het innerlijke kan bereikt worden en het uiterlijke zolang afgelegd.
Meditatie is de weg naar innerlijke realisatie en moet aangeleerd worden,
persoonlijk, en van een bekwame leraar. De realisatie van de ware natuur van het
onbewuste leidt tot meditatie.
Hieronder, wordt een eenvoudige techniek van meditatie beschreven.
(1)
Was uw gezicht, ogen,
handen en voeten; en zit in een keurig, rustige en donkere plaats in een
comfortabel postuur, met hoofd, hals, ruggerecht recht en vertikaal. Geen muziek
of wierook is tijdens de meditatie aanbevolen. De tijd en plaats van de
meditatie moet eerst worden vastgesteld. Goed de levensprinciepen, gedachten,
woorden en daden naleven. Bepaalde yogi oefeningen zijn nodig. Middernacht,
s’morgens en s’avonds zijn de beste momenten om te mediteren, 15 tot 25 minuten
iedere dag.
(2)
Herinnert u een naam
of vorm van een persoonlijke god waarin uw geloof gevestigd is en vraag Zijn of
Haar zegen.
(3)
Doe uw ogen dicht;
neem 5 tot 10 minuten voor trage maar diepe ademhalingen.
(4)
Vestig uw blik, uw
geest (gemoed), en gevoelens binnen in het centrum van uw borst, de plaats van
het oorzakelijk hart en adem heel traag. Mentaal, zing “Raa” en adem in, en
“Maa” en adem uit. Visualiseert mentaal en volgt de loop van de ademhaling langs
de neusgaten, naar het voorhoofd, en naar beneden tot in de borst of de longen.
Voel de adem en de gewaarwordingen in het lichaam, en blijf waakzaam. Tracht uw
ademhaling niet te controleren of te leiden, adem gewoon op een natuurlijke
wijze.
(5)
Bevestigt uw wil in de
gedachte dat het verdwijnt in de grenzeloosheid van de lucht, terwijl u ademt.
Indien uw gemoed van de ademhaling ontwijkt, start opnieuw met stap 4. Wees
regelmatig en volhard zonder uitstellen.
Het geluid van OM of AUM is een combinatie
van drie hoofdgeluiden: A, U, en M. Het is de bron van alle uitgesproken
geluiden. Daarom, is dit het beste geluid als symbool van de Geest. Het is de
oorspronkelijke impulsief dat de vijf zenuw centra doet bewegen die de functie
van het lichaam controleert. Yogananda noemt OM het vibratiegeluid van de
kosmisch motor. De Bijbel zegt: “In den beginne was het Woord, en het Woord was
bij God en het Woord was God.” (Johannes 1:1) (OM, Amen, Allah)
Deze kosmische geluidsvibratie wordt door de yogi’s beluisterd als een
geluid, of een mengeling van geluiden, of van verschillende frequenties.
De “OM” meditatie (in het Engels “Omnic Meditation”), door de Heer Krishna
bekend gemaakt, is een zeer krachtige en sacrale techniek door heiligen en
wijzen van alle godsdiensten in gebruik gebracht. Het combineert Patanjali’s
laatste zes stappen in drie gemakkelijke stappen, die u pas zult praktiseren na
voorgaande meditatie een paar maanden te hebben beoefend. Samengevat, de “OM”
methode oefent het “gemoed” (de geest) om doorlopend, het “AUM” geluid te
verspreiden.
Voor hen die het conventionele pad van de meditatie niet kunnen volgen,
heeft de Heer Krishna een eenvoudige methode van contemplatie medegedeeld:
“Voor iemand die onophoudelijk aan Mij denkt, ben Ik gemakkelijk te
bereiken, O zoon van Prtha, vanwege zijn voortdurende activiteit in toegewijde
dienst.” (8:14)
Hier eindigt het derde en laatste deel van onze inleiding. We zijn nu van
plan stapsgewijze de 700 verzen van de Bhagavad-Gîtâ door te geven, met daarbij
de vertaalde commentaar op de Gîtâ van Dr. Ramanand Prasad, Ph.D. Nodig
belangstellenden en vrienden uit zich bij onze “E-mail Gîtâ Groep” aan te
sluiten. Nieuwe e-mail leden zullen met een “bijvoegsel” voorbije studies
kunnen inhalen.
Informatie:
Wij kunnen u drie vertalingen van de Bhagavad-Gîtâ in de Nederlandse taal
en één in het Engels aanbevelen, namelijk:
(1)
Bhagavad-Gîtâ, integraal vertaald
naar het oorspronkelijke Sanskriet, door Hendrik van Teylingen. Uitgeverij,
Altamire-Becht, Haarlem.
(2)
De
Bhagavad-Gîtâ zoals ze is, uitgegeven door “The Bhaktivedanta Book Trust. Uitgave met het Sanskriet
tekst en commentaar.
(3)
Bhagavad-Gîtâ, vertaald door Guus
Nooteboom, bewerkt door zijn zoon Kuuk Nooteboom. Uitgeverij Ankl-Hermes bv –
Deventer. Uitgave met het Sanskriet.
(4)
Bhagavad
Gita (Vrijheid volgens de), vertaald door Mansukh Patel, Uitgeverij Life
Foundation Publications, Bilston, UK.
(5)
Bhagavad
Gita, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Erik Mossel.
Uitgeverij Panta Rhei/Katwijk.
(6)
Bhagavad
Gita – Het heilig boek van de hindoes, door Gerda Staes met Winand M.
Callewaert. (Davidsfonds/Leuven)
(7)
Ten zeerste aangeraden
de Engelse vertaling van de Bhagavad-Gîtâ door Dr.
Ramananda Prasad, Ph.D. Het boek kan van een “website” opgeladen worden,
namelijk deze van de “American and International Gîtâ Society”, en deze is:
http://www.gita-society.com/bhagavad-gita.htm
Ten zeerste aanbevolen
het volledige domein te bezoeken:
http://www.gita-society.com/gita3rd.htm
Ik blijf verder op
mijn e-mail adres tot uw beschikking
decoster.ph@belgacom.net terwijl u mij steeds op het volgend adres
kunt schrijven, en zelfs telefoneren:
The
American / International Gita Society
(Afdeling België)
C/o. Philippe De
Coster, DD
Parklaan 81
B9000 Gent
België
Tel. 00.32.09.222.28.58
Zijntoestand waarin het stoffelijk bestaan
wijkt en welke voorafgaat aan alle geestelijke, toegewijde activiteit.
SRI MAD-BHAGAVAD-GÎTÂ
Hoofdstuk 1
ARJUNA’
DILEMMA
“Laat van overal edele gedachten naar u komen.”
– De Vedas
Nota: De oorlog van
Mahâbhârata begon na een onderhandeling met de Heer Kŗşna, en anderen om
hun nederlaag te voorkomen. De blinde Koning (Dhrtarâstra)
was nooit zeker aangaande de overwinning van zijn zonen (Kauravas)
ondanks hun verheven leger. De Wijze Vyâsa, de
auteur van Mahabharata wou de blinde Koning de gunst
van het zicht geven, zodat de Koning de gruweldaden van de oorlog kon zien, daar
hij in de eerste plaats ervoor verantwoordelijk was. Maar de Koning weigerde het
aanbod. Hij wou de gruweldaden van de oorlog niet zien, en verkoos de
oorlogsrapporten van zijn wagenmenner, Sanjaya. De
Wijze Vyâsa gaf Sanjaya
de gave van helderziendheid. Met deze gave kon Sanjaya
zien, horen, en het verleden, heden en toekomst oproepen. Hij was in staat als
ooggetuige onmiddellijk een oorlogsrapport aan de blinde Koning die in zijn
paleis vertoefde mede te delen.
Bhîsma, de grootste man en hoofdcommando
in Kauravas is door Arjuna
buiten gevecht gesteld, en ligt op een doodsbed op het slagveld, de tiende dag
van de achttien daagse oorlog. Toen de blinde Koning het slechte nieuws van
Sanjaya hoorde, verloor hij alle hoop van zijn
zonen’s overwinning. Nu wenst de Koning al de bijzonderheden van de oorlog vanaf
het begin te vernemen, inbegrepen hoe het kwam dat de sterkste man en
hoofdcommando van zijn verheven leger verkoos te sterven, verslagen op het
slagveld. De leer van de Gîtâ begint met het
onderzoek van de blinde Koning, nadien beschreef Sanjaya
hoe Bhîsma was verslagen, zoals volgt:
Dhrtarâstra zei: o
Sanjaya, wat deden mijn volk en de
Pândavas, toen ze verlangend om te strijden op het
heilig veld van Kurukşetra,
waar ze waren samengekomen? (01.01)
Sanjaya zei: o koning, toen vorst
Duryodhana het in slagorde opgestelde leger van de
Pândavas had aanschouwd, naderde hij zijn goeroe,
Drona, en sprak deze woorden: (01.02)
O mijn meester, bezie het machtige leger van de zoons van
Pându en hoe vakkundig het is opgesteld door uw
begaafde leerling, de zoon van Drupada. (01.03)
Er zijn vele helden en machtige boogschutters, die Bhîma
en Arjuna in de oorlog evenaren, zoals
Yuyudhâna, Virâta en
Drupada; de grote krijgers
Dhrstaketu, Cekitâna, en de heldhaftige
koning van Kâshi, Purujit,
Kuntibhoja, de krachtige man Śaibya;
de geweldenaar Yudhâmanyu, de dappere
Uttamauja, de zoon van Subhadrâ,
en de zonen van Draupâdi, allen zijn grote krijgers.
(01.04-06)
INLEIDING VAN HET LEGER COMMANDO
Hoor ook, o beste onder de tweemaal geborenen, wie onze bevelhebbers zijn. De
namen van de bevelhebbers van mijn leger noem ik op, ter uwe
informatie. (01.07)
Uzelf, Bhîsma, Karna, en
Krpa die altijd zegevierend uit de strijd komt, Aśvatthâmâ,
Vikarna, zoon van Somadatta,
en nog vele andere helden die voor mij hun leven
willen offeren. Ze zijn allen goed uitgerust met allerlei wapens en bedreven in
de krijgskunst. (01.08-09)
Ons leger, ofschoon door Bhîsma aangevoerd is
ontoereikend, terwijl hun leger door Bhîma beschermt
gemakkelijk overwonnen wordt. Daarom, moet ieder van u, op uw plaats in uw
divisies Bhîsma onvoorwaardelijk beschermen.
(01.10-11)
DE OORLOG BEGINT MET HET BLAZEN VAN DE SCHELPHOORNS
Vervolgens brulde Bhîsma, de machtige grootvader
van de Kuru-dynastie als een
leeuw, en blies krachtig op zijn schelphoorn, om
Duryodhana tot vreugde te zijn. (01.12)
Toen klonken plotseling alle schelphoorns, signaalhoorns, trompetten, trommen
en hoorns tegelijk, dat kabaal veroorzaakten. (01.13)
De Heer Kŗşna en Arjuna, die op een grote, met
witte paarden bespannen strijdwagen stonden, lieten van hun kant hun hemelse
schelphoorns weerklinken. (01.14)
Hrsîkeśa (Krsna)
blies op Zijn schelphoorn, Pâncajanya geheten;
terwijl Arjuna blies op
de zijne, Devadatta; en Bhîma,
de onverzadigbare eter en geduchte held, blies op zijn schrikwekkende
schelphoorn Paundra. (01.15)
O Heer van de Aarde; Koning Yudhişthira, de zoon van Kunti,
blies op zijn schelphoorn Anantavijaya, en
Nakula en Sahadeva
bliezen op de Sughośa en de
Manipuspaka. De grote boogschutter de Koning van
Kâsî; de grote strijder, Sikhandï;
Dhstadyumna, Virâta en
de onoverwinnelijke Sâtyaki, koning
Drupada, de zoons van Draupadî
en de anderen zoals de zoon van Subhadrâ met
machtige wapens, bliezen allen op hun schelphoorns.
(01.16-18)
Het schallen van al deze schelphoorns werd stormachtig - en trillend zoveel
in de lucht als in de aardbodem, verscheurde het de harten van de
Kauravas. (01.19)
ARJUNA WENST HET LEGER TE INSPECTEREN WAARTEGEN HIJ MOET VECHTEN
O Koning, toen nam Arjuna, de zoon van
Pându, die op zijn strijdwagen stond en de Heer
Hanumâna in zijn vaandel, voerde zijn boog op en
maakte zich gereed, zijn pijlen af te schieten, zijn blik gericht op de zonen
van Dhrtarâstra. O Koning, toen sprak
Arjuna tot Hrsîkeśa
(Kŗşna) de volgende woorden: o Heer, rijd mijn wagen tussen de twee legers in,
zodat ik kan zien wie er zijn, wie ernaar verlangen
te vechten en met wie ik me in deze grote slag moet meten. (01.20-22)
Ik wens te zien wie er voor de strijd zijn aangetreden om de boosaardige zoon
van Dhrtarâstra te behagen. (01.23)
Sanjaya zei: O Afstammeling van
Bharata (Dhrtarâstra), toen
Hrsîkeśa (Krsna) aldus door
Gudâkeśa (Arjuna) was
aangesproken, dreef Hij de prachtige strijdwagen midden tussen de beide legers.
In tegenwoordigheid van Bhîsma,
Drona en alle leiders van de wereld zei Hrsîkeśa,
de Heer: o Pârtha (Arjuna), kijk toch naar alle
Kurus, die hier verzameld zijn. (01.24-25)
Zoals hij daar stond, kon Arjuna van tussen beide
legers een goed zicht hebben over zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van
moederskant, broers, zoons, kleinzoons, vrienden en ook zijn schoonvader – die
allen daar aanwezig waren. (01.26)
ARJUNA’S DILEMMA
Bij het zien van schoonvaders en lotgenoten van beide legers in slagorde
staan aangetreden, de zoon van Kuntî (Arjuna) werd met diep medelijden bewogen en sprak
bedroefd: o Kŗşna, nu ik mijn vrienden en bloedverwanten in zo een strijdlustige
stemming voor me zie, voel ik dat mijn ledematen
beven en mijn mond droog wordt. Mijn hele lichaam trilt en mijn haar staat
overeind. (01.27-29)
Mijn boog Gandiva glipt uit mijn hand en
mijn huid gloeit, ik kan niet rechtop staan, mijn denkvermogen is losgelaten;
en, ik zie slechte voortekenen, o Keshava (Kŗşna).
Tevens zie ik geen heil in het doden van bloedverwanten in de strijd. (01.30-31)
Ik begeer noch verwinning, noch genoegens, noch het koningschap, o Kŗşna. Wat
voor betekenis heeft een koninkrijk, of het leven zelf, o
Govinda (Kŗşna)? Daar, degenen van wie wij het koningschap, vreugde, en
genoegens verlangen, staan hier klaar voor de strijd, en hebben ze hun leven en
bezittingen opgegeven. (01.32-33)
Ik wens geen leraren, onkelen, zonen, grootvaders, ooms van moeders zijde,
schoon vaders, kleinzonen, zwagers en andere verwanten te doden, die klaar zijn
ons te doden, zelfs niet om de heerschappij over de drie werelden, waarom dan
wel over die van het aardse koninkrijk, o Madhusûdana
((Kŗşna). (01.34-35)
O Heer Kŗşna, welke genoegen beleven wij er aan, de zonen van
Dhrtarâstra te doden? Wij begaan al een zonde als
wij die woestelingen doodden. (01.36)
O Madhava (Kŗşna), daarom kunnen wij de zonen van
Dhrtarâstra, onze bloedverwanten, niet doden. Hoe
kunnen wij gelukkig zijn wanneer onze verwanten hebben gedood! (01.37
Ofschoon zij, die vervuld zijn van hebzucht, niet inzien dat
familievernietiging een zonde is en vijandschap tegenover vrienden een misdaad;
waarom zouden wij, die zien dat het vernietigen van de familie kwaad is, dan
niet ons van dat kwaad onthouden, o Janardana
(Kŗşna)? (01.38-39)
ARJUNA VERHAALT DE GRUWELEN VAN DE OORLOG
Als een familie te gronde wordt gericht, dan gaan ook hun eeuwige tradities
van orde, wet en gerechtigheid verloren, en doen ze onwettige dingen door zich
van erfelijke tradities te ontdoen. (01.40)
Wanneer er goddeloosheid heerst in een familie, o Krsna,
raken de vrouwen in de familie verdorven; en, op de verlaging der vrouwen, o
Vârsneya (Kŗşna), raken de wetten van de samenleving
in verval. (01.41)
Wanneer het ongewenste bevolkingsdeel aanwast, ontstaat er een helse toestand
zowel voor de familie als voor degenen die de
familie-traditie vernietigen. In zulke verdorven families wordt er aan de
voorouders geen voedsel (portie rijst) en water meer geofferd. (01.42)
Door de zondige en onwettige daden van degenen die de
familie-tradities verbreken, worden allerlei gemeenschappelijke
ondernemingen en activiteiten ten dienste van het welzijn van de familie te
gronde gericht. (10.43
De mensen, o Janârdana (Kŗşna), wier
familietradities zijn verloren gegaan, verblijven alvast – zo hebben we gehoord
– voor onbepaalde tijd in de hel. (01.44)
Ach, hoe erg! Wij begaan een grote zonde als wij uit begeerte naar de
genietingen van een koninkrijk onze bloedverwanten doden. (01.45)
Het zou voor mij beter zijn dat de zonen van Dhrtarâstra
me doodden zonder dat ik het wapen tegen ze ophief of me verzette, dan dat ik de
strijd met ze aanging. (01.46)
WANNEER VOORWAARTS GAAN HARD IS, ZELFS HARDE
MENSEN KUNNEN MISLEIDT WORDEN
Sanjaya zei: nadat
Arjuna deze woorden gesproken had op het slagveld, gooide hij boog en
pijlen naast zich op de strijdwagen neer en ging zitten, met zijn gemoed door
verdriet overweldigd. ( 01.47)
Er wordt gezegd dat Arjuna door de wil van de
Heer Kŗşna, de God, tegenover een waantoestand werd gesteld, met
het doel de leer van de Gîtâ te openbaren, daar de
verlichting en troost voor neergeslagen zielen betekent.
In de Upanishads, genaamd de heilige
Bhagavad Gita, in de
wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak
tussen Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het eerste
hoofdstuk, genaamd “Arjuna’s Dilemma”.
Hoofdstuk 2
TRANSCENDENTALE KENNIS
Sanjaya zei: toen Hij,
Arjuna, vol medelijden en met tranen verduisterde
ogen, en teneergeslagen zo zag zitten, sprak
Madhusûdana (Kŗşna) de volgende woorden: (02.01)
De Verhevene Heer zei: vanwaar is deze neerslachtigheid,
Arjuna? Dat past niet bij een Ariër (of, bij mensen met een
edele gemoed en daden). Het voert u niet naar
de hemel, maar naar schande. (02.02)
Wees niet zwak, o Pârtha (Arjuna),
daar het u niet betaamt. Schud deze ellendige wankelmoedigheid van uw hart af,
en sta op (voor de strijd), o Parantapa. (02.03)
ARJUNA VOLHARDT IN ZIJN REDENERINGEN TEGEN DE OORLOG
Arjuna zei: hoe, o
Madhusûdana (Kŗşna), kan ik met pijlen Bhîsma
en Drona bevechten, die het waard zijn om vereert te
worden? (02.04)
Men kan in deze wereld beter leven als bedelaar dan deze edele goeroes te
doden. Doodde ik deze edele goeroes, die zo begerig zijn naar rijkdom, dan zou
ik in deze wereld in hun bloed gedrenkt voedsel eten. (02.05)
Ook weten we niet wat beter is – de zonen van
Dhrtarâstra overwinnen of door hen overwonnen worden. Doden we ze, dan
kunnen we het beter niet overleven. Nu staan ze voor ons op het slagveld.
(02.06)
Want ik weet niet meer wat mijn plicht is en ik ben uit zwakheid volkomen uit
mijn doen over Dharma. In deze toestand verzoek ik U
me duidelijk te maken wat het beste voor me is. Ik ben nu Uw leerling, U
toegedaan met hart en ziel. Onderricht me. (02.07)
Ik weet niets te bedenken waarmee ik dit verdriet, dat me van mijn zinnen
berooft, moet verdrijven. Ik zal het niet kunnen uitbannen, ook al win ik een
welvarend koninkrijk op aarde of de heerschappij van een halfgod in de hemel.
(02.08)
Sanjaya zei: na deze woorden zei
Gudâkesia (Arjuna), de
overwinnaar van zijn vijanden, aldus Hrsîkeśa
(Kŗşna) had toegesproken en tot Govinda (Kŗşna)
gezegd had: “Ik vecht niet”, verviel in het zwijgen. (02.09)
O Afstammeling van Bharata, daarop sprak
Hrsîkeśa (Kŗşna) midden tussen beide legers
glimlachend de volgende woorden tot de terneergeslagen
Arjuna. (02.10)
DE LERINGEN VAN DE GITA BEGINNEN MET DE WARE
KENNIS VAN DE GEEST EN HET MENSELIJK LICHAAM
De Verhevene Heer zei: u treurt om iets wat het verdriet niet waard is,
toch spreekt u woorden die wijs klinken. Zij
die wijs zijn treuren noch om de levenden, noch om de doden. (02.11)
Nooit was er een tijd waarin Ik niet bestond, noch u, noch al deze vorsten;
noch zal in de toekomst ook maar één van ons ophouden te zijn. (02.12)
Zoals de levende entiteit (Atmâ,
Jîva, Jîvâtma) in dit
lichaam geleidelijk van kinderjaren overgaat naar jeugd en ouderdom, zo gaat ze
bij de dood naar een ander lichaam over. Hierover treurt de wijze niet. (Zie ook
15.08) (02.13)
O zoon van Kunti (Arjuna), het contact
met de materie, dat koude en hitte, vreugde en pijn veroorzaakt, komt en gaat:
het is van voorbijgaande aard; daarom, leer ze geduldig te doorstaan, o
Afstammeling van Bharata (Arjuna)
(02.14)
De rustige mens, die hierdoor niet gekweld wordt, o Beste onder de mensen (Arjuna), die standvastig is in pijn en vreugde, maakt
zich geschikt voor onsterfelijkheid. (02.15)
DE GEEST IS EEUWIG, HET LICHAAM IS VERGANKELIJK
Weet dat Tat waarvan het universum volledig
doortrokken is, werkelijk onvernietigbaar is, en dat niemand kan vernietigen wat
eeuwig is. (02.17)
Er wordt beweerd dat de belichamingen van de eeuwige, onvergankelijke en
onmetelijke Geest, sterfelijk zijn; vecht daarom, o Afstammeling van
Bharata (Arjuna).
(02.18)
Wie denkt dat Atmâ
(Geest) kan doden of kan worden gedood, in beide gevallen onwetend is. Wie
werkelijk kennis bezit, weet dat Atmâ noch doodt,
noch wordt gedood. (Een parallelle vers vindt men in
KaU 2.19) (2.19)
De Geest (Atmâ) kent geboorte noch dood. Eenmaal
zijnde, houdt ze nooit op te bestaan. Ze is ongeboren, eeuwig, onveranderlijk,
onsterfelijk en oorspronkelijk. Ze gaat niet dood wanneer het lichaam overlijdt.
(Zie ook KaU 2.18) (02.20)
O zoon van Pârtha (Arjuna),
hoe kan iemand die weet dat de Geest (Atmâ)
onvernietigbaar, ongeboren, eeuwig en onveranderlijk is, iemand doden of iemand
tot doden aanzetten? (02.21)
DE DOOD EN DE TRANSMIGRATIE VAN DE ZIEL
Zoals iemand zijn oude, versleten kleren wegdoet en
nieuwe aantrekt, laat de levende entiteit (Atmâ,
Jîva, Jîvâtma) de oude,
nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw.
(02.22)
Geen wapen kan de Geest (Atmâ, Zelf) ooit in
stukken snijden, noch kan ze door vuur worden verbrand, door water verdronken of
door de wind verdroogd. Atmâ kan breken noch
oplossen, verbranden noch verdrogen. Ze is eeuwig, alomtegenwoordig,
onveranderlijk, onbeweeglijk en vanouds geweest. (02.23-24)
Er is gezegd dat de Geest (Atmâ, Zelf)
onzichtbaar, onvoorstelbaar en onveranderlijk is. Wetend daarom dat dit zo is,
moet ge niet treuren. (02.25)
Denk ge echter dat deze levende entiteit of
lichaam voortdurend geboren wordt en telkens sterft, dan bestaat er nog steeds
geen reden om te treuren, O sterk-gearmde (Arjuna). Want, wie geboren is, gaat de dood zeker
tegemoet; en wie dood is, wordt zéker weer geboren. Wees
daarom niet bedroefd over wat onvermijdelijk is. (02.26-27)
Alle geschapen wezens zijn onzichtbaar voor de
geboorte, zichtbaar als ze geboren zijn, en wederom onzichtbaar na hun dood.
Waartoe valt er dus te treuren? (02.28)
DE ONVERGANKELIJKE GEEST TREEDT GEMOED EN SPRAAK BINNEN
Sommigen zien de Geest als een wonder, sommigen beschrijven haar als
wonderlijk en sommigen horen over haar als een wonder, terwijl anderen, ook al
hebben ze over haar gehoord, helemaal niets van haar begrijpen. (Zie ook
KaU 2.07) (02.29)
O Afstammeling van Bharata (Arjuna),
de Geest in het lichaam is eeuwig en kan nimmer worden gedood. Daarom hoeft
ge om niemand te treuren. (02.30)
Ten aanzien van uw bijzondere plicht als strijder behoort ge
te weten dat er voor u geen betere taak bestaat dan strijden volgens
rechtvaardige beginselen – het is dus onnodig nog te weifelen. (02.31)
O Pârtha (Arjuna),
bevoorrecht zijn de strijders die buiten hun toedoen zo’n
gelegenheid krijgen om te strijden, dat voor hen de hemelpoort opent. (02.32)
Maar als u deze rechtvaardige oorlog echter niet strijdt, zult
ge wegens plichtverzuim uw eer verspelen en aan zonde
schuldig maken. (02.33)
De mensen zullen altijd oneer over u blijven spreken. En, voor iemand in hoog
aanzien, is eerloosheid erger dan de dood. (02.34)
De grote veldheren, die een hoge dunk hadden van je naam en eer, zullen
denken dat je louter uit angst het slagveld hebt verlaten en je daarom een
lafaard vinden. (02.35)
Uw vijanden zullen vele kwetsende woorden over u spreken, en uw moed en
bekwaamheid verkleineren.Kan er iets pijnlijker zijn dan dat? (02.36)
Ge zult de hemel verwerven indien ge gedood
wordt (in de lijn van de plichtvervulling); behaalt ge de overwinning, dan zult
ge de heerschappij over de aarde verkrijgen. Sta dus op, o Zoon van
Kunti, en trek vastbesloten tot de strijd. (02.37)
Beschouw vreugde en pijn, winst en verlies,
overwinning en nederlaag als elkaars gelijke, en
gordt u voor de strijd, en dan is geen zonde die u raakt. (02.38)
DE BELANGRIJKHEID VAN
KARMA-YOGA, DE ONBAATZUCHTIGE DIENSTVERLENING
De wijsheid van transcendentale kennis werd u medegedeeld, o Zoon van
Pritha (Arjuna). Luister
nu naar wat Ik te zeggen heb over de wijsheid van
Karma-yoga, de onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ),
dan kunt u loskomen van de banden die het gevolg zijn van uw handelingen
(Karma). (02.39)
Wie Karma-yoga nastreeft lijdt geen verlies noch
achteruitgang. Zelfs een geringe mate van inzicht in deze discipline beschermt u
tegen de grote vrees van geboorte en dood. (02.40)
Een Karma-yogi is vastberaden en
eenpuntig gericht in de
God-realisatie, o Afstammeling van Kuru (Kurunandana) (Arjuna),
maar eindeloos verstrooid en besluiteloos zijn degenen
die voor de genoegens van de oost met de daarbij aanpalende vertakkingen
werken. (02.41)
DE VEDA’s BEHANDELEN BEIDE MATERIËLE EN
GEESTELIJKE ASPECTEN VAN HET LEVEN
Onwetende mensen voelen zich sterk aangetrokken door de bloemrijke taal der
Veda’s, en zeggen: “Er is niets anders”, o Pârtha (Arjuna). (02.42)
Vol wereldse verlangens, met de voorbijgaande hemelse genoegens als doel
boven eeuwige vereniging, bevelen ze talloze en specifieke riten aan om zich
wereldse plezieren, rijkdom en macht aan te trekken. (Zie ook
KaU 2.05, IsU 09)
(02.43)
Resolute vastberadenheid tot Zelf-realisatie,
wordt niet gevormd in het gemoed van hen die zich aan plezier en kracht hechten,
en wier oordeel door ritualistische activiteiten wordt verduisterd. (02.44)
Een gedeelte van de Veda’s handelt over de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur, o
Arjuna. Bevrijdt u van de paren van tegenstellingen, wees altijd
standvastig in zuiverheid (Sattva), zonder begeerte
naar bezit, en ga geheel op in het Zelf.
(02.45)
Voor de Zelf-gerealiseerde persoon zijn de Veda’s
ongeveer even nuttig als een waterbak dat overstroomt. (02.46)
THEORY
AND PRACTICE OF KARMA-YOGA
U hebt het recht uw voorgeschreven plicht te
vervullen, maar de vruchten ervan komen u niet toe. Laat de vruchten van uw
handelingen vervolgens ook niet uw drijfveer zijn, maar verzuim ook niet te
handelen. (02.47)
O Dhananjaya (Arjuna), vervul standvastig uw plicht in Yoga, en geef
alle zelfzuchtige gehechtheid op, en wees evenwichtig in succes en mislukking.
Evenwichtigheid wordt Yoga genoemd. (02.48)
Bevrijd uzelf van alle baatzuchtig werk door toegewijde dienst of
Karma-yoga en geeft u aan dat bewustzijn volledig
over, O Dhananjaya (Arjuna).
Zij die de vruchten van hun werk willen plukken zijn ongelukkig. (02.49)
Een Karma-yogi
wiens kennis is geworteld in gelijkmoedigheid, heeft
zich in dit leven van zowel goede als slechte daden bevrijdt; houd u dus aan
yoga; yoga is de kunst van het handelen. (02.50)
Karma-yogis zijn van de slavernij der
wedergeboorte verlost, daar ze zelfzuchtige gehechtheid aan werkresultaten
hebben prijs gegeven, om het gezegende en goddelijke oord van heil of Nirvana te
benaderen. (02.51)
Wanneer uw intellect uit het dichte woud der begoocheling te voorschijn komt,
zult ge onverschillig worden tegenover alles wat er
gehoord is en alles wat er nog gehoord zal worden. (02.52)
Is uw intellect niet meer in beweging te
brengen door de Vedische teksten en verkeert deze
onwankelbaar in de verheven rust der Zelf-realisatie
de staat van volkomen eenheid, dan zijt ge het
goddelijk bewustzijn deelachtig geworden. (02.53)
Arjuna zei: o Keśava (o Langharige, Kŗşna), waaraan herkent men iemand
wiens bewustzijn aldus opgaat in het Bovennatuurlijke (Samadhi)?
Hoe spreekt hij en wat zijn zijn woorden? Hoe is
zijn handel en wandel? (02.54)
DE KENMERKEN VAN EEN ZELFGEREALISEERDE
PERSOON.
De Verhevene Heer zei: o Pârtha (Arjuna), wanneer men alle zinnelijke verlangens dat
uit het dwalen van de gedachten voortkomt laat varen en wanneer men met het
Eeuwige Wezen (Brahma) tevreden is, wordt de
stabiliteit van denken (Sthita-prajna) genoemd.
(02.55)
Hij wiens denken onbewogen is in tegenspoed, vrij
van begeerte, angst en boosheid, tevens gelijkmoedig in voorspoed, zulk een mens
wordt Sthita-prajna genoemd, een wijze met een
standvastig intellect. (02.56)
Wie zonder bindingen is, wie zich niet verheugt
wanneer hem iets goeds overkomt, noch treurt wanneer er iets kwaads geschiedt,
is echt verankerd in volmaakte kennis. (02.57)
Wie, gelijk een schildpad zijn ledematen voor bescherming intrekt, zijn
zinnen afhoudt van de voorwerpen der zinnen, wordt geacht standvastig van
intellect te zijn. (02.58)
De objecten der zinnen bestaan niet meer voor wie zich ervan weerhoudt, maar
het verlangen ernaar nog wel. Doch ook deze verlaat hem wanneer hij de Verhevene
Wezen heeft leren kennen. (02.59)
HET GEVAAR VAN ONBETEUGELDE ZINNEN
De van nature onstuimige zinnen slepen het denken
mee, o Zoon van Kunti (Arjuna),
ook van een wijze mens die naar volmaaktheid streeft. (02.60)
Laat de mens, die zijn zinnen bedwongen heeft in
liefdevolle contemplatie rust vinden in Mij. Daar, hen die hun zinnen hebben
beheerst, stabiel van denken geworden zijn. (02.61)
Hij, die op de voorwerpen der zinnen denkt, raakt de
gehechtheid, waaruit het verlangen voorkomt, en uit het verlangen springt
toorn voort. (02.62)
Uit toorn ontstaat begoocheling of wilde ideeën;
en uit de begoocheling een verward geheugen. Wanneer de rede is aangetast,
verblijft het gemoed onbeheerst. Men ontwijkt van het rechte pad wanneer de rede
vernietigd is. (02.63)
HET BEREIKEN VAN VREDE EN GELUK DOOR DE
BEHEERSING VAN DE ZINNEN EN KENNIS
Een gedisciplineerde persoon, die zich beweegt temidden van de objecten der
zinnen, toch zich volledig beheerst, zonder er door aangetrokken of afgesloten
te worden, bereikt rust. (02.64)
In deze rust wordt alle leed gedoofd, want het intellect van een kalme
persoon komt spoedig volledig in evenwicht te staan en verenigt met de Eeuwige
Wezen (Brahma). (02.65)
Er is geen Zelfkennis, noch het vermogen van concentratie bij hen die met de
Eeuwige Wezen (Brahma) niet zijn verenigd. Zonder
het vermogen van concentratie kent men geen vrede, en zonder vrede kan er geen
geluk zijn. (2.66)
Het gemoed, door de rovende zinnen beheerst, ontneemt het intellect gelijk
een storm een schip op de woedende oceaan stuurloos van zijn bestemming
verdwijnt – de spirituele landing. (02.67)
Daarom, o Sterkarmige (Arjuna), is het intellect
van de mens wiens zinnen volledig van de objecten der
zinnen zijn onttrokken, in standvastigheid gegrondvest. (02.68)
Een yogi, de zelfbeheerste persoon, blijft wakker wanneer voor anderen nacht
is; het is de nacht der onwetendheid voor de yogi die ziet (de Eeuwige Wezen
kent) wanneer voor de andere schepselen dag is. (02.69)
Zoals de oceaan onveranderlijk blijft ook al vloeien
alle kanten de wateren erin samen, zo vindt ook de mens in wie alle
begeerten onberoerd blijven vrede, maar dat telt niet voor
hen die verlangens koesteren. (02.70)
Hij die alle begeerten verzaakt, en zich bevrijdt van alle wangunst, en is
verlost van het gevoel ‘ik’ en ‘mijn’, bereikt vrede. (02.71)
O Pârtha (Arjuna),
dat is de superbewuste staat (Brahma). Wie deze
bereikt kan niet meer dwalen. Wie in het uur van de dood daarvan niet afwijkt,
bereikt Brahmanirvâna (of, verenigt
zich met het Absolute). (02.70)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad
Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de
samenspraak tussen Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus
het tweede hoofdstuk, genaamd “Transcendentale Kennis”.
Hoofdstuk 3
HET PAD DER DIENSTBAARHEID
Arjuna zei: o
Janârdana, wanneer U gelooft dat transcendentale kennis hoger ligt dan
het werk, waarom vraagt U mij dan deze verschrikkelijke daad te volbrengen, o
Keśava (Kŗşna)? Met deze
verbijsterende woorden, brengt Gij mij in de war. Wijs mij daarom met zekerheid
de ene weg waarbij ik het hoogste geluk kan bekomen. (03: 01-02)
De Verhevene Heer zei: in deze wereld, o zondeloze
Arjuna, zijn er, zoals Ik vroeger al aanhaalde twee
paden van discipline toegewezen; dat van Zelfkennis (Jnâna-yoga)
voor de contemplatieven, en het pad van
onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ,
Karma-yoga) voor de actieven.
(03.03)
De mens bereikt geen bevrijding uit de boeien van Karma door niet te werken.
Niemand bereikt volmaaktheid door gewoon het werk op te geven. Niemand kan ook
maar één ogenblik werkeloos blijven. Iederéén is naar actie gedreven – heel
hulpeloos – door de krachten van de natuur. (03.04-05)
Hij, die zijn organen van handeling beheerst, toch zijn gedachten op de
objecten der zinnen vestigt, wordt een hypocriet genoemd. (03.06)
WAAROM ANDEREN DIENEN?
Hij die, met een getrainde en gezuiverd gemoed en
intellect zijn zinnen beteugeld in onbaatzuchtige dienstverlening, is hoger in
aanzien, o Arjuna. (03.07)
Vervul uw voorgeschreven plicht, daar werken is beter dan niets doen. Een
mens kan zonder werken zijn lichaam niet in stand houden. (03.08)
Menselijke wezens zijn aan de Karmische boeien
van het werk gebonden, uitgezonderd onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna); daarom, o
Zoon van Kunti, geef alle zelfzuchtige gehechtheden
op, en verricht zo goed mogelijk uw plicht, als een offer aan Mij toegebracht.
(03.09)
ELKAAR HELPEN IS HET EERSTE GEBOD VAN DE SCHEPPER
Prajâpati (Brahmâ), de schepper, schiep in het begin de mensheid samen met
onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna, offer), en zei: “vermenigvuldig u hierdoor; en, moge het
tot de vervulling zijn van uw begeerten.” (03.10)
Voedt hiermee de halfgoden (Devas), dan voeden ze
u; en, zo zult gij, elkaar voedende, het Verheven
doel bereiken. (03.11)
De halfgoden (Devas) gevoed in onbaatzuchtige
dienstbaarheid (Sevâ, Yajna),
zullen u in al uw behoeften voorzien. De mens die geniet van wat hem door de
halfgoden worden geschonken, zonder hen een deel te offeren, is werkelijk een
dief. (03.12)
De rechtvaardigen die eten wat van de offerande overblijft, worden van alle
zonden bevrijd; maar, de
goddelozen die alleen voedsel voor zichzelf bereiden, eten het voedsel
der zonde. (Zie ook RV 10.117.06) (03.13)
De levende wezens bestaan door voeding, dat slechts kan groeien wanneer er
regen valt. De regen is het resultaat van onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ, Yajna), en
onbaatzuchtige dienstbaarheid komt voort uit handelen. (Zie ook 4.32) Handelen
is in de Veda’s voorgeschreven. De Veda’s komen van Brahma
(de Eeuwige Wezen). Zodoende, is het allesdoordringende
Brahma altijd in Sevâ aanwezig. (03.14-15)
Wie, aldus, het in beweging gebrachte wiel der
schepping niet verder draaiend houdt door het nakomen van de wet der offerande (Sevâ), en die in zinnelijke genoegens zijn vreugde
vindt, deze zondige mens leeft een nutteloos leven, o
Pârtha (Arjuna). (03.16)
Maar voor de mens die zich in de Eeuwige Wezen (Brahma)
verheugt, in de Eeuwige Wezen zijn voldoening en vrede vindt, bestaat voor deze
Zelf-gerealiseerde persoon geen werk dat gedaan moet
worden. (03.17)
Zo een persoon stelt geen belang in wat hij verkrijgt door handelingen die
hij gedaan heeft. Een Zelf-gerealiseerde persoon is
van niemand voor iets afhankelijk (uitgezonderd voor God). (03.18)
LEIDERS MOETEN HET VOORBEELD GEVEN
Daarom, verricht goed uw plicht, zonder baatzuchtige
gehechtheid aan de resultaten, want de mens die zonder gehechtheid handelt,
bereikt de Verhevene Wezen. (03.19)
Zelfs koning Janaka en
anderen hebben enkel door onbaatzuchtige dienstverlening (handelen) (Karma-yoga) volmaaktheid (of, Zelfrealisatie) bereikt.
Ook u moet uw plicht vervullen met het welzijn der mensheid voor ogen. (03.20)
Omdat, wat edele personen ook doen, anderen volgen. Welke normen zij ook
stellen, de gehele wereld neemt hen als voorbeeld. (03.21)
O Pârtha (Arjuna), in
de drie werelden (hemel, aarde, en de lagere gewesten), is niets dat door Mij
gedaan moet worden, noch iets voor Mezelf te bereiken wat nog niet bereikt is;
toch ben Ik voortdurend bezig met handelen. (03.22)
Als Ik niet onvermoeid zou doorwerken, dan zouden de mensen Mijn pad overal
gaan volgen, o Pârtha. Deze werelden zouden vergaan
als ik niet werkte, en zou Ik de oorzaak zijn van verwarring en de vernietiging
van al deze mensen. (03.23-24)
WAT ZOU DE WIJZE TEGENOVER DE ONWETENDE MOETEN DOEN
Zoals de onwetenden werken, o Zoon van Bharata (Arjuna), met gehechtheid aan de vruchten der
handeling, zo moet de wijze mens zonder enige gehechtheid werken voor het
welzijn van de maatschappij. (03.25)
De wijzen mogen geen verwarring brengen in het denken
der onwetenden die gehecht zijn aan de vruchten der handeling, maar de ‘één
geworden persoon met Mij’ (de toegewijde) moet anderen inspireren om al hun
handelingen toegewijd en zonder zelfzuchtige gehechtheid te volbrengen. (Zie ook
3.29) (03.26)
Alle handelingen zijn het gevolg van de energie en de
kracht der natuur, maar door de misleidende onwetendheid, denken de mensen de
doeners te zijn. (Zie ook 5.09, 13.29, en 14.19) (03.27)
AL DE WERKEN ZIJN DE WERKEN VAN DE NATUUR
Maar hij die de Waarheid kent, o Sterkarmige (Arjuna), en het verband ziet tussen de krachten van de
natuur en het handelen, eigent zich aan het handelen geen gehechtheid, goed
wetende dat de krachten der natuur met hun instrumenten – onze organen – werken.
(03.28)
Degenen die misleid worden door de illusoire kracht (Mâyâ) der natuur, raken gehecht aan de activiteiten
door natuurkrachten verwezenlijkt. De wijze mens, mag
de onwetende wier kennis onvolledig is, niet in verwarring brengen.( Zie
ook 03.26) (03.29)
Wijd al uw handelingen aan Mij in een spirituele
gemoedstoestand, zonder de koortsachtige begeerte, gehechtheid, en mentale
ongenoegen. (03.30)
De mensen die altijd deze leer van Mij volgen – in geloof (of, volle attentie
en oprechtheid), en zonder bedenkingen – zijn van de slavernij der Karma
verlost. Zij, echter, die Mijn leer geringschatten en deze niet in praktijk
brengen, weet dat ze door onwetendheid zonder kennis zijn, waardeloos en
verloren. (03.31-32)
Alle wezens volgen hun natuur (aard). Zelfs de wijzen handelen volgens
hun eigen natuur. Wat zou dan onderdrukking
baten? (03.33)
TWEE STRUIKELBLOKKEN OP HET PAD VAN DE VOLMAAKTHEID
Gehechtheid en afkeer (Râga
en Dveşa) tegenover de objecten der zinnen liggen
verankerd in de zinnen. Men mag niet in de macht van deze twee komen te staan,
daar ze twee hinderpalen zijn op het pad der Zelfrealisatie. (03.34)
Het is beter zijn eigen plicht onvolmaakt te vervullen dan de plicht van
iemand anders volmaakt. Het is feitelijk beter te sterven bij het vervullen van
zijn eigen plicht, want de plicht van een ander is vol gevaar. (Zie ook 18.47)
(03.35)
LUST IS DE OORSPRONG VAN DE ZONDE
Arjuna zei: o
Vârshneya (Kŗşna), wat is dat de mens doet zondigen, schijnbaar tegen
zijn wil, en als het ware aangezet door een vreemde kracht? (03.36)
De Verhevene Heer zei: het is begeerte (lust,
Kâma), voortspruitend uit passie (Rajo Guna) dat toorn wordt
(wanneer onverzadigd). De begeerte is onverzadigbaar, en is het grote kwaad.
Weet, dat het de vijand is. (03.37)
Zoals vuur omgeven wordt door rook, zoals een spiegel
bedekt wordt door stof, zoals de moederschoot het embryo omsluit, zo wordt
Zelfkennis (Brahma-jnâna) door de begeerte
verduisterd. O Zoon van Kunti (Arjuna), Zelfkennis (Brahma-jnâna)
wordt door dit onverzadigbare vuur van verlangen omgeven, de onsterfelijke
vijand van de wijzen. (03.38-39)
Men zegt, dat de zinnen, het gemoed, en het intellect
de zetel zijn van de begeerte (lust, Kâma).
Kâma, die de zinnen, het gemoed, en het intellect
controleert, brengt de persoon in verwarring door Zelfkennis (Jnâna) te bedekken. (03.40)
Daarom, o beste van de Bharatas (Arjuna), beheerst eerst uw zinnen, en dood dan deze
boze geest der materiële begeerte, die Zelfkennis en Zelfrealisatie vernietigt.
(03.41)
HOE LUST BEHEERSEN
Men zegt, dat de zinnen belangrijker zijn dan het lichaam, het gemoed
belangrijker dan de zinnen, het intellect belangrijker dan het gemoed, en
Atmâ (Geest) belangrijker dan het intellect. (Zie
ook KaU 3.10, en Gîtâ 06.07-08) (03.42)
Aldus wetende, dat het Zelf (Atmâ)
belangrijker is dan het intellect, en het gemoed beteugelend door het intellect
(met spirituele praktijken gezuiverd), moet men deze machtige vijand begeerte
(lust, Kâma) verslaan, o
Sterkarmige (Arjuna). (Zie ook
KaU 03.03-06) (03.43)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad
Gita, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de
samenspraak tussen Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus
het derde hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Dienstbaarheid”.
HOOFDSTUK 4
HET PAD DER ZELFVERLOOCHENING DOOR KENNIS
KARMA-YOGA IS EEN OUDE
VERGETEN GEBOD
De Verhevene Heer zei: deze eeuwige Karma-yoga, de wetenschap van de
juiste handeling, maakte ik aan Vivasvan bekend. Vivasvan gaf het aan Manu. Manu
onderwees het aan Ikshvaku. Aldus doorgegeven in opvolging, bleef deze
Karma-yoga aan de Koninklijke Wijzen bekend. Na verloop van een lange tijd
echter, geraakte de wetenschap van Karma-yoga in deze wereld verloren, o
Parantapa (Arjuna). Deze zelfde oude wetenschap is u heden door Mij
uiteengezet,want u bent Mijn oprechte toegewijde en vriend. Karma-yoga is
werkelijk een verheven geheime leer. (04.01-03)
Arjuna zei: U werd later geboren, terwijl Vivasvan in vroegere tijden leefde. Hoe
kan ik dan begrijpen dat U in het begin van de schepping deze yoga hebt bekend
gemaakt? (04.04)
HET DOEL VAN GOD’S INCARNATIE
De Verhevene Heer zei: ik en u, zijn beiden door vele geboorten
heengegaan. Ik ken ze allen, o Arjuna, maar u kent de uwe niet, o Parantapa
(Arjuna) (04.05).
Hoewel Ik eeuwig ben, onveranderlijk, en de Heer van alle wezens, toch
word Ik, heersende over Mijn eigen materiële Natuur, geboren uit Mijn eigen
potentiële goddelijke energie (Yoga-mâyâ). (Zie ook 10.14) (04.06)
Wanneer Dharma (Gerechtigheid) in verval geraakt, en Adharma
(Ongerechtigheid) tot verheffing komt, o Bharata (Arjuna), dan verschijn Ik op
aarde. Ik belichaam Mij dus van eeuw tot eeuw ter bescherming van het goede, ter
vernietiging van het kwade, en tot herstel van rechtvaardigheid (Dharma). (Zie
ook TR 1.120.03-04) (04.07-08)
Hij, die Mijn transcendentale verschijning en handelingen (der
schepping, behoud en dissolutie) echt begrijpt, bereikt Mijn verheven woning, en
wordt niet herboren na zijn lichaam te hebben verlaten, o Arjuna. (04.09)
Bevrijd van hartstocht, angst en toorn, vervuld van Mij, zijn toevlucht
bij Mij zoekend, gelouterd door het vuur van Zelfkennis, hebben reeds velen de
verlossing (Mukti) bereikt. (04.10)
HET PAD VAN AANBIDDING EN
GEBED
Op welke wijze de mensen Mij ook aanbidden, op die wijze vervul Ik hun
verlangens. Mensen aanbidden Mij met verschillende motieven, o Pârtha (Arjuna).
(04.11)
Zij, die naar succes verlangen in hun werk dezer wereld, aanbidden de halfgoden
(Devas), want actie heeft in de wereld der mensen snel welslagen tot gevolg.
(04.12)
WERKVERDELING NAARGELANG DE
VAARDIGHEID VAN DE MENSEN
De vier verdelingen (vierkastenstelsel) zijn uit Mij voortgevloeid in overeenstemming
met het natuurlijke onderscheid in bekwaamheid en roeping. Ofschoon Ik hiervan
de schepper ben, weet dan toch dat Ik de eeuwige niet-doener ben. (Zie ook
18.41) (04.13)
Handelingen hebben geen invloed op Mij; en, Ik verlang niet naar de vruchten van
mijn handelingen. Wie deze waarheid volledig begrijpt en praktiseert, is aan
Karma niet gebonden. (04.14)
De zoekers naar bevrijding uit vroegere tijden vervulden hun plichten in deze
verstandshouding. Verricht ook gij daarom uw plicht zoals de ouden dat ooit
deden. (04.15)
GEBONDEN, ONTBONDEN, EN
VERBODEN DADEN
Zelfs de grootste wijzen waren verward bij het stellen van de vragen: ‘wat is
handelen, en wat is niet-handelen?’ Daarom, zal Ik u uitleggen wat de handeling
is, daar deze kennis u van onheil zal bevrijden. (04.16)
De ware natuur van de handeling is zeer moeilijk te begrijpen. Daarom, moet men
weten wat de natuur van de onbaatzuchtige handeling is, en tevens de natuur van
de ongeoorloofde handeling. (04.17)
EEN KARMA-YOGI IS NIET
ONDERWORPEN AAN DE KARMISCHE WETTEN
Wie niet-handelen in handelen ziet, en handelen in
niet-handelen, is een wijze persoon. Hij is een yogi en volbrengt al zijn werk.
(Zie ook 3.05, 3.27, 5.08 en 13.29) (04.18)
Welk alles wat hij onderneemt zonder begeerte volbrengt door in het
vuur van de Zelfkennis geworteld te zijn, wordt door de wijzen als intelligent
beschouwd. (04.19)
Hij die de begeerte naar de vruchten van de handeling heeft opgegeven,
altijd tevreden is en van niets afhankelijk behalve tegenover God, en hoewel in
activiteit geëngageerd, doet in werkelijkheid niets, en ondergaat geen Karmische
reactie. (04.20)
Wie zijn begeerten, zijn gedachten en zijn zinnen beheerst, van alle
eigendomsrecht afstand heeft gedaan, hoewel hij handelt, blijft hij ontbonden
van de boeien der Karmische reactie. (04.21)
Tevreden met alles wat zich voordoet, vrij van de invloed der ‘paren
van tegenstellingen’, zonder afgunst, onberoerd in slagen en falen; en, hoewel
hij handelt, de Karma-yogi is aan Karma niet gebonden. (04.22)
Hij die van gehechtheid vrij is, wiens gemoed op Zelfkennis is
gevestigd, en met dienstbaarheid (Sevâ) aan de Heer bezield, wiens handelingen
offeranden zijn, smelt alle Karmische gebondenheid weg. (04.23)
De Eeuwige Wezen (Brahma) is het offer. Brahma is de
gezuiverde boter. Brahma offert in het vuur van Brahma. De mens die alles
beschouwt als zijnde een handeling van Brahma, bereikt Brahma. (Zie ook 09.16)
(04.24)
VERSCHILLENDE TYPEN VAN
GEESTELIJKE PRAKTIJKEN OF OFFERDADEN
Sommige yogi’s schenken het offer aan de halfgoden (Devas), anderen
bieden het offer van Zelfkennis in het vuur van de Eeuwige Wezen (Brahma).
(04.25)
Anderen offeren de werking van hun gehoor en zinnen in het vuur van de
zelfbeheersing; anderen offeren geluid en andere objecten der zinnen in het vuur
der zinnen (om te komen tot volledige zelfbeheersing en Zelfkennis). (04.26)
Weer anderen offeren de functies der zinnen, en de functies van de vijf
bio-impulsen (Prâna) in het vuur der zelfbeheersing, dat door kennis wordt
ontstoken. (04.27)
Alweer offeren sommigen door het opgeven van hun materiële rijkdom, of
hun ascese en onthouding, terwijl anderen dit doen door toewijding, studie en
kennis, door matigheid en strenge geloften. (04.28)
Weer anderen offeren de inademing in de uitademing en de uitademing in
de inademing; zij regelen en beteugelen de stroom van de uitademing en de
inademing als offerande, volledig verzonken in een adembeheersing trance
toestand (Samâdhi), (door korte Kriyâ ademhaling technieken te gebruiken).
(04.29)
Nog anderen, sober met voedsel, offeren hun levensadem in de
levensadem. Ze weten allen wat offeren is, en worden door hun offers van hun
zonden (Karmische schuld) bevrijd. (04.30)
Zij, die zich laven in onbaatzuchtige dienstbaarheid (Sevâ,
Yajna) bekomen de nectar van Zelfkennis als resultaat van hun offer, en gaan in
tot het onveranderlijke, Eeuwige Wezen (Brahma). O beste der Kurus (Arjuna),
voor hem die niet offert is er geen plaats in deze wereld, en in de andere
wereld nog veel minder. (Zie ook 04.38 en 05.06) (04.31)
Zo bevinden zich verschillende soorten disciplines beschreven in de
Veda’s. Weet dat zij alleen uit Karma of de handeling van het lichaam, het
gemoed, en de zinnen geboren zijn. Dit wetende zult u de verlossing (Mokşa,
Nirvâna) bereiken. (Zie ook 03.14) (04.32)
HET BEREIKEN VAN
TRANSCENDENTALE WIJSHEID IS EEN SUPERIEURE GEESTELIJKE PRAKTIJK
Beter dan het materiële offer is het offer van kennis, o
Parantapa (Arjuna); daar, alle handelingen tezamen in transcendentale kennis
culmineren, o Pârtha (Arjuna). (04.33)
Ontvangt de transcendentale kennis van een Zelf-gerealiseerde
persoon in nederigheid, oprechte onderzoek, en in dienstbaarheid. De wijzen die
de Waarheid hebben gerealiseerd zullen u onderrichten. (04.34)
Hebt gij u de transcendentale wetenschap eigen gemaakt, o zoon van
Pandu (Arjuna), dan zult ge nooit meer in verwarring geraken. Met deze kennis
zult ge de ganse schepping in uw eigen zelf zien en aldus in Mij. (Zie ook
06.29, 06.30, 11.07, 11.13) (04.35)
Zelfs al zijt ge de grootste van alle zondaren, dan nog kunt ge de
oceaan der zonde oversteken op het vlot van Zelfkennis (Brahma-jnâna). (04.36)
Zoals het brandende vuur hout tot as herleidt; zo herleidt
het vuur van Zelfkennis (Brahma-jnâna) alle handelingen van Karma tot as,
o Arjuna. (04.37)
TRANSCENDENTALE KENNIS IS AAN
DE KARMA-YOGI AUTOMATISCH GEOPENBAARD
In deze wereld is er niets dat zo reinigt als Jnâna, de ware
kennis van de Verhevene Wezen (Para-Brahma). Hij, die door Karma-yoga gezuiverd
is, ontdekt deze kennis allengs vanzelf in zich ontwaken. (Zie ook 04.31, en
05.06, 18.78). (04.38)
De mens die geloof heeft en oprecht is in yogische praktijken, daarbij
de zinnen heeft beheerst, vindt spoedig transcendentale kennis. In deze
verworvenheid, bereikt hij spoedig de verheven vrede. (04.39)
De onwetende, sceptische, en ongelovige mens gaat verloren. De
ongelovige mens kent geen geluk in deze wereld, noch in de volgende. (04.40)
TRANSCENDENTALE KENNIS EN
KARMA-YOGA ZIJN BEIDE VOOR NIRVANA NODIG
Hij, die door Karma-yoga aan alle handelingen heeft verzaakt, is door
niets meer gebonden, daar hij elke twijfel door Zelfkennis en zelfbeheersing
heeft verdreven, o Dhananjaya (Arjuna). (04.41)
Daarom, roei met het zwaard van Zelfkennis de twijfel uit uw gemoed die
door onwetendheid is ontstaan, en neem toevlucht tot Karma-yoga, en sta op om te
vechten, o Bharata (Arjuna). (04.42)
In de Upanishads, genaamd de heilige
Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van
devotie, in de samenspraak tussen Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het vierde
hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Zelfverloochening door Kennis”.
HOOFDSTUK 5
HET PAD DER VERZAKING
Arjuna zei: o Kŗşna, U prijst transcendentale kennis (Sâmkhya,
Karma-samnyâsa), en ook het beoefenen van onbaatzuchtige dienstbaarheid
(Karma-yoga). Zeg mij duidelijk wat van deze twee het beste is. (Zie ook 05.05)
(05.01)
De Verhevene Heer zei: het pad der Zelfkennis (Karma-samnyâsa) en het
pad der onbaatzuchtige dienstbaarheid (Karma-yoga, Sevâ), voeren beide naar het
verhevene doel. Maar, van deze twee, is Karma-yoga beter dan Karma-samnyâsa.
(05.02)
Als ware Nitya Sannyâsin (Verzaker) moet beschouwd worden, hij die geen
haat noch begeerte koestert, die onverschillig staat tegenover de paren van
tegenstellingen, o Sterkarmige (Arjuna). Hij wordt zodoende gemakkelijk uit de
Karmische gebondenheid bevrijd. (05.03)
BEIDE PADEN LEIDEN TOT DE
VERHEVENE
Slechts de onwetenden – niet de wijzen – maken verschil
tussen het pad der Zelfkennis (Karma-samnyâsa) en het pad van onbaatzuchtige
dienstbaarheid (Karma-yoga) als zijnde verschillend van elkaar. De persoon die
zich toelegt op de ene, verwerft zich de vruchten van beide. (05.04)
Het doel dat verkregen wordt door de verzaker (Samnyâsî),
wordt eveneens bereikt door de Karma-yogi die hetzelfde doel treft. Daarom, hij
die ziet dat het pad der verzaking en het pad van onbaatzuchtige activiteit één
zijn, heeft het juiste inzicht verworven. (Zie ook 06.01 en 06.02) (05.05)
Maar, ware verzaking (Samnyâsa), o Sterkarmige (Arjuna), is
zonder Karma-yoga moeilijk te bereiken. De wijze die aan Karma-yoga is toegewijd
bereikt snel Brahma. (Zie ook 04.31, en 04.38) (05.06)
De Karma-yogi, wiens gemoed zuiver is, wiens gemoed en zinnen onderworpen zijn, en die de
ene en dezelfde Eeuwige Wezen (Brahma) in alle schepselen herkent, is aan Karma
niet gebonden, al handelt hij. (05.07)
EEN TRANSCENDENTALE BESCHOUWT ZICHZELF ALS IEMAND DIE NIETS DOET
De wijze (of Samnyâsî) die de waarheid kent, denkt: “ik ben het niet
die handelt.” Bij het zien, horen, voelen, ruiken, eten, lopen, slapen, ademen,
spreken, geven, nemen, de ogen open of gesloten, de Samnyâsî gelooft dat
enkel de zinnen zijn die zich bewegen temidden van de objecten der zinnen.
(Zie ook 03.27, 13.29, en 14.19) (05.08-09)
EEN KARMA-YOGI WERKT VOOR GOD
Wie handelt door zijn daden aan de Heer te offeren – en
iedere gehechtheid aan de gevolgen heeft prijs gegeven – wordt door Karmische
reactie of zonde niet aangetast, evenmin als een lotusblad door water. (05.10)
Na zich van gehechtheid te hebben ontdaan, verrichten de Karma-yogi’s
met hun lichaam, gemoed, intellect, en zinnen, handelingen met het doel zichzelf
te zuiveren. (05.11)
Een Karma-yogi die de vrucht der handeling heeft opgegeven,
bereikt de verhevene gelukzaligheid; terwijl andere, die aan de vrucht der
handeling gehecht zijn, raken aan gehechtheid verstrikt (05.12)
HET PAD VAN DE KENNIS
De persoon die zichzelf beheerst en aan de vruchten der handelingen
volledig heeft verzaakt, woont in vrede in de stad met negen poorten. Hij
handelt niet, noch is hij de oorzaak tot handelen. (05.13)
De Heer schept voor de mensen noch het vermogen tot handelen, noch de
werking ervan, noch de verbinding tussen de handeling en haar vruchten. Het zijn
de krachten (Gunas) van de Natuur die alles doen (05.14)
De Heer heeft geen deel aan iemands goede of slechte daden. De
Zelfkennis wordt verduisterd door onwetendheid, waarbij mensen op een dwaalspoor
worden gebracht (en, doen slechte daden). (05.15)
Transcendentale kennis vernietigt de onwetendheid van het Zelf en
openbaart de Verhevene zoals de zon de schoonheid van de wereld laat zien.
(05.16)
Het denken gevestigd op de Eeuwige Wezen (Brahma, TAT), het
gemoed en het intellect op Brahma berustend, Brahma makend tot het enige doel en
toevlucht, en als het enige onderwerp van toewijding, zodoende van onzuiverheid
(zonde) ontlast door de kennis van Brahma, worden deze mensen nooit meer
herboren. (05.17)
BIJKOMENDE KENMERKEN VAN EEN
VERLICHTE PERSOON
De verlichte persoon (door de Heer te zien in alles) maakt
geen onderscheid tussen een geleerde en nederige Brahmaan, een paria, zelfs een
koe, een olifant, of een hond. (Zie ook 6.29) (05.18)
Iemand met een evenwichtig en harmonisch gemoed, overwint alles in dit
leven. Zo een persoon heeft de Eeuwige Wezen (Brahma) gerealiseerd, daar de
Eeuwige Wezen perfect is en dezelfde in iederéén. (Zie ook 18.55, en ChU
2.23.01)(05.19)
De persoon die de Eeuwige Wezen (Brahma) kent, verheugt zich niet
wanneer hij verkrijgt wat aangenaam is, noch bedroeft het hem wanneer hij
verkrijgt wat onaangenaam is. (05.20)
Zo’n persoon, wiens hart niet gehecht is aan uiterlijke sensuele
genoegens, en die in eenheid verblijft met de Eeuwige Wezen (Brahma), ontdekt de
vreugde van het Zelf door contemplatie, en neem deel aan transcendentale
gelukzaligheid. (05.21)
Sensuele genoegens zijn waarlijk een bron van ellende, en hebben een
begin en een einde. Daarom, o zoon van Kunti (Arjuna), verblijden de wijzen niet
in sensuele genoegens. (Zie ook 18.38) (05.22)
Wie hier op aarde in staat is, nog vóór de dood, de aandrang van
verlangens en toorn weet te weerstaan, is een yogi, en een gelukkige persoon.
(05.23)
Wie innerlijk gelukkig is, die innerlijke vreugde kent, die door Zelfkennis verlicht is,
die yogi bereikt Brahma-nirvâna, en gaat naar de Verhevene Wezen (Para-Brahma).
(05.24)
De zieners, wier zonden (onvolmaaktheden) zijn vernietigd, hun twijfels
door Zelfrealisatie (Jnâna) verdwenen, wier gemoed gedisciplineerd is,
altijd gericht op het welzijn van alle schepselen, bereiken de Verhevene Wezen
(Par-Brahma). (05.25)
Zij die van begeerte (verlangens) en toorn vrij zijn, die hun gemoed en zinnen beheersen
en het ware Zelf kennen, bereiken spoedig Brahma-nirvâna. (05.26)
HET DERDE PAD – HET PAD VAN DEVOTIONELE MEDITATIE EN CONTEMPLATIE
De wijze is vrij, die waarlijk aan sensuele genoegens heeft
verzaakt, door zijn ogen en gemoed te vestigen (op het ingebeelde zwarte punt)
tussen de wenkbrauwen, die de adem, zowel bij het in- als het uitademen,
gelijkmatig door beide neusgaten laat gaan (met de Kriyâ technieken); de zinnen,
het gemoed en het intellect onder beheersing, verlossing (Mukti) als enige doel
hebbend; en, alle verlangens, boosheid, en vrees voor altijd van zich te hebben
geworpen. (05.27-28)
Zo bereikt mijn devoot (toegewijde) vrede door Mij te kennen (of,
Kŗşna, de Verhevene Wezen (Para-Brahma)), als de Genieter van offeranden en
ascese, de Machtige Heer van het gehele universum, en de vriend van alle wezens.
(05.29)
In de Upanishads, genaamd de heilige
Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van
devotie, in de samenspraak tussen Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het vijfde
hoofdstuk, genaamd “Het Pad der Verzaking”.
Hoofdstuk 6
HET PAD DER MEDITATIE
EEN KARMA-YOGI IS EEN
VERZAKER
De Verhevene Heer zei: hij, die zijn plicht verricht dat gedaan behoort te
worden, zonder(om persoonlijke genoegens) de vruchten ervan te eisen is een
verzaker (Samnyâsi) en een Karma-yogi. Men wordt geen Samnyâsi door het vuur
niet aan te steken, noch wordt men een yogi door geen werk te verrichten.
(06.01)
O zoon van Pându (Arjuna), dat wat verzaking (Samnyâsa) genoemd wordt, staat ook
als Karma-yoga bekend. Niemand wordt een Karma-yogi zonder zijn baatzuchtige
doeleinden op te geven. (Zie ook 05.01, 05.05, 06.01, en 18.02) (06.02)
EEN DEFINITIE VAN YOGA
Voor de wijze die streeft naar het achtvoudige pad der yoga, is onbaatzuchtig
handelen het middel. Voor iemand die yoga bereikt heeft, standvastigheid is het
doel (der Zelfrealisatie). Er wordt gezegd, dat een persoon yogische
volmaaktheid heeft bereikt wanneer hij of zij alle gehechtheid heeft opgegeven,
en niet is gebonden aan de voorwerpen der zinnen of handelingen. (06.03-04)
HET GEMOED IS DE BESTE ZOWEL ALS DE SLECHTSTE VRIEND
Men dient het zelf door het Zelf laten verheffen, en niet dulden dat het Zelf wordt
vernederd. Het Zelf is de vriend, of de vijand van het zelf. Het Zelf is,
waarlijk, de vriend van het zelf van hen die het hebben beheerst. Maar voor hen
die het zelf niet overwonnen hebben is het Zelf aan een vijand gelijk.
(06.05-06)
Wie het zelf heeft overwonnen – het gemoed en de zinnen – beleeft de rust der
zelfbeheersing in hitte en koude, in vreugde en pijn, in eer en oneer, en
verblijft standvastig tegenover het verhevene Zelf. (06.07)
Een persoon wordt een yogi genoemd die tegelijk in Zelfkennis en Zelfrealisatie
verankerd is, die het gemoed en de zinnen beheerst, voor wie een kluit aarde,
een kei, en een klomp goud eender zijn, wat men gelijkmoedigheid noemt (06.08)
Een persoon die zonder voorkeur staat tegenover metgezellen, vrienden, vijanden,
neutralen, buitenstaanders, haatdragers, verwanten, heiligen en zondaren.
(06.09)
MEDITATIE TECHNIEKEN
De yogi behoort voortdurend in de eenzaamheid en stilte te verblijven om zich op
de Verhevene Wezen te concentreren, na het gemoed en de zinnen te hebben
beheerst, vrij van begeerte en drang naar bezit. (06.10)
Op een reine plek gezeten, op een eigen vaste zitplaats die niet te hoog of te
laag is, bedekt met een laken, de huid van een antilopenhuid en kushagras, boven
op elkaar gelegd. Laat hem daar, als hij het denken eenpuntig gemaakt heeft met
zijn gedachten en zintuigen onder beheersing, en op die zitplaats gezeten zich
richten op meditatie om het zelf te zuiveren. (06.11-12)
Met zijn lichaam, hoofd en hals rechtop, onbeweeglijk en bedaard, gaat hij met
gesloten ogen de blik gericht op de punt van de neus, in geen andere richting
kijken. Zo dient hij er te zitten innerlijk in vrede, onbevreesd, onwrikbaar in
het celibaatleven (de belofte van een Brahmachari), zijn denken beheersend, zijn
gedachten gericht op Mij als het verheven doel. (Zie ook 04.29, 05.27, 08.10 en
08.12) (06.13-14)
De yogi die zijn denkvermogen beheerst, en
aldus steeds gericht is op Mij, komt tot de vrede van Brahma-nirvâna, en dat is
in Mij. (06.15)
Alvast is deze yoga niet geschikt voor hem
die te veel eet, ook niet die overdreven vast; die teveel of te weinig slaapt, o
Arjuna. (06.15)
De yoga der meditatie verdrijft alle pijn voor hem, die matig is in eten en
ontspanning, matig in zijn gedragingen, matig in slapen en waken. (06.17)
Als hij zo, met een beheerst gemoed, in de Eeuwige Wezen (Brahma) verblijft,
vrij van verlangen naar alle begerenswaardige dingen, dan wordt er gezegd dat
hij Brahma in Samâdhi (Trance) heeft bereikt. (06.18)
Als een lamp die, tegen de wind beschut, niet flikkert, hiermee vergelijkt men
het beheerste gemoed van de yogi in meditatie op de Eeuwige Wezen (Brahma).
(06.19)
Wanneer door de beoefening van de meditatie het denkvermogen tot rust gekomen
is, dan openbaart de Eeuwige Wezen (Brahma) zich. Als de persoon het eenmaal met
het gezuiverde intellect heeft gezien, dan vindt hij vervulling en tevredenheid.
(06.20)
Wanneer iemand de oneindige gelukzaligheid kent, die in het intellect wordt
waargenomen en die buiten het bereik der zinnen ligt; zijnde aldus, in de
Eeuwige Wezen (Brahma) gerealiseerd, is hij van de absolute realiteit nooit
gescheiden. ( Zie ook KaU 3.12) (06.21)
Wanneer hij, na Zelfrealisatie bereikt te hebben, inziet dat er niets hogers of
beters kan zijn, als daarin gevestigd, kan het grootste leed hem niet doen
wankelen. (06.22)
Dan zal hij weten dat dit verheven zijn boven de vereenzelviging met pijn, yoga
wordt genoemd. Deze yoga moet met een vastberaden en standvastig gemoed beoefend
worden. (06.23)
Wanneer hij elk baatzuchtige verlangen, die door voornemens zijn ontstaan,
achter zich heeft gelaten, en door het denkvermogen de zinnen en organen
onderworpen heeft aan de Eeuwige Wezen (Brahma), zal hij langzaam maar zeker,
door geduld, voortdurende inspanning en beheerste rede tot innerlijke kalmte
komen, om aan niets anders te denken. (06.24-25)
Hoe het rusteloze en ongestadige denkvermogen ook moge ronddolen, moet hij het
beheersen en terugbrengen onder de macht van de Heer Kŗşna, de Verhevene
Personaliteit van de Goddelijkheid. (06.26)
WIE IS EEN YOGI
De verheven vreugde komt tot de Zelfgerealiseerde yogi, wiens gemoed in vrede
is, wiens hartstochten en verlangens zijn beteugeld, en die van zonde (of
fouten) is bevrijd. (06.27)
Zulk een yogi, die vrij is van zonde, bereikt moeiteloos de Eeuwige Wezen
(Brahma), daar in voortdurende vereniging met Brahma. (06.28)
Wie opgaat in deze yoga, ziet de Eeuwige Wezen (Brahma) in alle wezens, en alle
wezens in de Eeuwige Wezen, dus overal ziet hij de Eeuwige Wezen. (Zie ook
04.35, 05.18) (06.29)
Wie Mij in alles ziet, en alle dingen in Mij, die verlaat Mij niet, en is nooit door
Mij verlaten. (06.30)
Wie in spirituele eenheid gevestigd is, en Mij aanbidt als wonende in alle
wezens, verblijft in Mij in de toestand hij ook verkeert. (06.31)
Hij wordt als de beste yogi beschouwt, die gelijkheid ziet in alle wezens, en
reageert op de vreugde en het verdriet van anderen als betrof het hemzelf, o
Arjuna. (06.32)
TWEE METHODEN OM HET RUSTELOOS GEMOED TE BEDWINGEN
Arjuna zei: o Madhusûdana (Kŗşna), in deze yoga der meditatie, die zoals ge hebt
verklaard als zijnde de yoga van evenwichtigheid en gelijkmoedigheid, vind
ik door rusteloosheid van het gemoed geen vaste grondslag. Want, het gemoed is
vol onrust, onstuimig, sterk, en weerspannig, o Kŗşna. Ik geloof dat het even
moeilijk te beteugelen is als de wind. (06.33-34)
De Verhevene Heer zei: ongetwijfeld, o Sterkarmige (Arjuna), is het gemoed rusteloos
en moeilijk te beteugelen; maar door regelmatige oefening in volharding en
ongehechtheid, o zoon van Kunti, kan het bedwongen worden. (06.35)
Naar mijn mening, is yoga door een onbeheerst gemoed moeilijk te bereiken.
Niettemin, is yoga bereikbaar, voor wie zijn gemoed beheerst aan de hand van
eigen en juiste inspanning. (06.36)
HET LOT VAN EEN ONBEKWAME
YOGI
Arjuna zei: wat is de bestemming van iemand die oprecht gelooft, maar die het
gemoed niet helemaal kan beheersen en afdwaalt van het pad der meditatie waarbij
hij zijn doel uit het oog verliest, o Kŗşna? (06.37)Zal hij, gescheiden van deze
beide, als een vaneen gescheurde wolk, o Sterkarmige (Kŗşna), onzeker en zonder
steun verloren gaan (yoga en Bhoga, de hemelse en wereldse genoegens), op het
pad der Zelfrealisatie? (06.38)
O Kŗşna, gij zijt de enige die in staat is mijn twijfel volledig te verdrijven,
daar geen ander dan gij in staat is mijn twijfel uit te wissen. (Zie ook
15.15) (06.39)
De Verheven Heer zei: o zoon van Pritha (Arjuna), zulk een yogi gaat niet
verloren, noch hier, noch in het hiernamaals. Een transcendente (hij die goede
dingen doet) kan niet te gronde worden gebracht, mijn geliefde vriend. (06.40)
Hij of zij, die in yoga tekort is geschoten, na vele jaren in de hemel zijn
verbleven, wordt in het huis der vromen en voorspoedigen herboren. Of, in een
familie van wijze yogi’s geboorte verkrijgen, maar een dergelijke geboorte is
zeer moeilijk te bekomen in deze wereld. (06.41-42)
Aldus wedergeboren, wordt de wijsheid van hij of zij die in voorgaande levens
zijn verworven wederom tot ontwaken gebracht, om meer dan voorheen naar
volmaaktheid te streven, o Afstammeling van Kuru (Arjuna). (06.43)
Hij of zij, die in yoga tekort is geschoten, wordt onweerstaanbaar naar de Eeuwige
Wezen gedreven op grond van de inspanningen (Sanskara) in yogische praktijken
van vorige levens. Zelfs de zoekende in yoga naar gemeenschap met God, stijgt
uit boven hen die Vedische rituelen volgen. (06.44)
De yogi die met ijver streeft, wordt volledig bevrijdt van al zijn zonden (of
onvolmaaktheden), na zichzelf in ontelbare levens te hebben vervolmaakt, en zal
uiteindelijk het verheven doel bereiken. (06.45)
WIE IS DE BESTE YOGI
De yogi staat boven de asceten. De yogi staat boven de (Vedische) scholastieken.
De yogi staat boven de ritualisten. Daarom, o Arjuna, wees in alle
omstandigheden een yogi. (06.46)
Ik beschouw de yogi-toegewijde als de beste, die Mij met liefde aanschouwt in
verheven geloof, wiens gemoed steeds in Mij opgaat. (Zie ook 12.02 en 18.66)
(06.47)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen
Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het zesde hoofdstuk, genaamd
“HetPad der Meditatie”.
Hoofdstuk 7
ZELFKENNIS EN VERLICHTING
De Verhevene Heer zei: o Zoon van Pârtha (Arjuna), hoor thans hoe u met uw
gemoed steeds op Mij gericht, door het beoefenen van yogische praktijken tot Mij
uw toevlucht neemt, Mij ten volle en zonder enige twijfel zult kennen. (07.01)
METAFYSISCHE KENNIS IS DE
UITERSTE KENNIS
Ik zal u deze Zelfkennis (Jnâna) en geestelijke verlichting (Vijnâna), ten volle
openbaren, en wanneer u u die eigen hebt gemaakt, blijft er verder niets over te
weten. (Zie ook MuU 1.01.03). (07.02)
DE WARE ZOEKERS ZIJN MAAR WEINIG
Onder duizenden mensen is er misschien één die naar de volmaaktheid der
Zelfrealisatie streeft, en onder de weinigen die zo streven is er misschien een
enkele die Mij werkelijk kent. (07.03)
DEFINITIES VAN DE MATERIE, BEWUSTZIJN, EN GEEST
Het gemoed, intellect, ego, ether, lucht,
vuur, water, en aarde, dit is de achtvoudige indeling van Mijn materiële energie
(Prakrti). (Zie ook 13.05) (07.04)
De materiële energie is Mijn lagere Natuur (Aparâ-śakti, Prakrti, materie). Weet dat
Mijn hogere Natuur (Parâ-śakti, Cetanâ, Puruşa, Geest) uit het element leven
bestaat en het universum in stand houdt, o Sterkarmige (Arjuna). (07.05)
DE VERHEVENE GEEST IS DE GRONDVEST VAN MATERIE, BEWUSTZIJN EN GEEST
Weet dat al de schepselen als uit een moederschoot ontspringen. Ik – de Verhevene
Wezen (Para-Brahma, Kŗşna) - ben de bron waaruit het geschapene te voorschijn
komt en eveneens de ontbinding van het gehele universum. (Zie ook 13.26) (07.06)
Er is niets, dat hoger is dan Ik, de Verhevene Wezen (Para-Brahma Paramâtmâ), o
Dhananjaya (Arjuna). Alle dingen zijn met Mij verweven als parelen aan een
snoer. (07.07)
DE VERHEVENE GEEST STAAT AAN
DE BRON VAN ALLES
O Zoon van Kunti (Arjuna), Ik ben de smaak in het water, het stralende licht in
de zon en de maan, de heilige lettergreep OM in al de Veda’s, het geluid in de
ruimte (akasa, ether), en de mannelijkheid in de man. Ik ben de zoete geur van
de aarde, de gloed in het vuur, het leven van al de levende wezens, en de
gestrengheid van de asceten. (07.08-09)
O Zoon van Pârtha (Arjuna), ken Mij als het eeuwige zaad van alle schepselen. Ik
ben de wijsheid der wijzen, en de stralende pracht van de prachtige dingen. (Zie
ook 09.18 en 10.39). Ik ben de kracht der sterken die ontdaan zijn van lust en
zelfzuchtige gehechtheid. Ik ben de lust (Kâma) in de menselijke wezens, in
overeenstemming met rechtvaardigheid (Dharma) (voor het enige sacrale doel der
voortplanting in het huwelijksleven), o Heer der Bharata’s (Arjuna). (07.10-11)
Weet dat de drie geaardheden (Gunas) van de materiële Natuur – goedheid
(Sattva), hartstocht (Rajas), en onwetendheid (Tamas), uit Mij voorspruiten.
Hoewel Ik niet in hen ben, zijn zij in Mij. (Zie ook 09.04 en 09.05) (07.12)
De menselijke wezens zijn door de verschillende aspecten van deze drie
geaardheden (Gunas) der materiële Natuur misleid; daarom kennen ze Mij niet, als
de eeuwige en boven deze geaardheden verheven. (7.13)
HOE DE GODDELIJKE ILLUSOIRE
KRACHT (MAYA) OVERWINNEN
Want deze, Mijn goddelijke kracht (Mâyâ), bestaande uit de drie geaardheden (Gunas)
van het gemoed, is moeilijk te overwinnen. Alleen zij, die hun toevlucht tot Mij
nemen, kunnen Mâyâ gemakkelijk overwinnen. (Zie ook 14.26, 15.19 en 18.66)
(07.14)
WIE ZIJN OP ZOEKTOCHT NAAR GOD?
De boosdoeners, de onwetenden, de laaghartigen die door de begoocheling zijn
versluierd, en aan de demonische natuur zijn gehecht door de goddelijke
illusoire kracht (Mâyâ), aanbidden en komen niet tot Mij. (07.15)
Vier typen deugdelijke mensen aanbidden Mij, o Arjuna. Ze zijn: die lijden, de
zoekers naar Zelfkennis, die rijkdom nastreven, en de wijzen die de Verhevene
hebben benaderd. (Zie ook TR 1.21.03) (07.16)
Onder hen overtreft de toegewijde (Jnâni-bhakta, de verlichte) die immer met Mij
verenigd is, en wiens toewijding (devotie) standvastig is, daar Ik de toegewijde
(de verlichte devoot) heel dierbaar ben, en hij (of zij) is Mij dierbaar.
(07.17)
Al deze zoekenden zijn waarlijk edel; maar Ik beschouw de toegewijde (de
verlichte devoot) als Mijn zelf, want hij (of zij) die standvastig is, verblijft
in Mijn verheven woonst. (Zie ook 09.29) (07.18)
Na vele geboorten komt de wijze (de verlichte devoot) tot Mij, daar hij (of zij)
realiseert dat werkelijk alles Vâsudeva (Kŗşna) is. Zulk een Mahâtma (grote
ziel) is moeilijk te vinden. (07.19)
De personen wier denken door begeerten misvormd is, wenden zich overeenkomstig
hun Karmische uitdrukking (Samskâra) tot verschillende rituele gebruiken en
nemen hun toevlucht tot andere godheden (devas, halfgoden). (07.20)
DE AANBIDDING VAN EEN GODHEID IS OOK GOD AANBIDDEN
Hoe iemand, vol geloof en vertrouwen een godheid aanbidt (ongeacht de naam, vorm, en
methode), maak Ik zijn geloof en vertrouwen in de godheid standvastig. Op dat
geloof en vertrouwen steunende, zoekt hij een dergelijke godheid (deva, halfgod)
te aanbidden, en ontvangt hij de vervulling van zijn wensen, waarvan de
voordelen alleen door Mij worden geschonken. (07.21-22)
Deze materiële vruchten die mindere verstandige menselijke wezens ten deel
vallen zijn vlug vergaan. De aanbidders van de halfgoden (devas) worden door de
halfgoden opgenomen, en zij die Mij aanbidden komen tot Mij. (07.23)
GOD KAN IN EEN BEELD VAN EENDER GEWENSTE VORM VAN AANBIDDING GEZIEN
WORDEN
De onwetenden – onbekend met Mijn onveranderlijk, onovertroffen, en transcendentale
vorm (of bestaan) – zijn niet in staat om Mij, de Verhevene Wezen (Para-Brahma)
te zien, die vormloos ben, en toch vormen of incarnatie aantrek. (07.24)
Versluierd in Mijn goddelijke kracht (Mâyâ), ben Ik voor de onwetenden niet zichtbaar
daar ze Mij niet kennen noch begrijpen als de ongeborene, eeuwige,
transcendentale vorm en personaliteit. (07.25)
Ik ken, o Arjuna, de wezens van het verleden, het heden en de toekomst, maar in
werkelijkheid Mij kent niemand. (07.26)
Door het illusoire van de paren der tegenstellingen, die ontstaan zijn uit
aantrekking en afstoting, o Bhârata (Arjuna), vervallen alles wezens bij hun
geboorte tot dwaling, o Parantapa (Arjuna). Maar wier onder de mensen de
handelingen zuiver zijn, wiens Karma of zonde tot een einde gekomen is, die
bevrijd zijn van de begoochelende paren van tegenstellingen, aanbidden Mij,
standvastig in hun geloften. (07.27-28)
Zij die, hun toevlucht volledig tot Mij nemen, strevend naar bevrijding van
geboorte, ouderdom en dood, begrijpen Brahma (de Eeuwige Wezen); de natuur van
Brahma; en, Karma, de scheppende kracht van Brahma. (07.29)
De standvastige personen die Mij kennen de Adhibhûta ( de sterfelijke wezen), de
Adhidaiva ( de tijdelijke Goddelijke Wezens), en Adhiyajna (de Superziel), ook
in het uur van de dood, bereikt Mij. (Zie ook 08.04) (07.30)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen
Sri Kŗşna
en Arjuna, staat aldus het zevende hoofdstuk, genaamd
“Zelfkennis en Verlichting”.
Hoofdstuk 8
DE EEUWIGE BRAHMAN
Arjuna zei: O Kŗşna, wie is de Eeuwige Wezen (Brahma)? Wat is Adhyâtma, of de
natuur van de Eeuwige Wezen? Wat is Karma? Wie zijn de sterfelijke wezens
(Adhibhûta)? En, wie zijn de goddelijke Wezens (Adhidaiva)? Wie is de Superziel
(Adhiyajna), en hoe verblijft Hij in het lichaam? Hoe gaat U in de ure des dood
herinnerd worden door hen die het gemoed hebben beheerst, o Madhusudhana?
(08.01-02)
DEFINITIE VAN DE VERHEVENE GEEST, GEEST, INDIVIDUELE ZIEL, EN KARMA
De Verhevene Heer zei: het onvergankelijke Atmâ (Geest) wordt Brahma (de Eeuwige
Wezen) genoemd. Brahma’s wezenlijke aard noemt men het Zelf. De scheppende
kracht van Brahma die de geboorte van alle levende entiteiten (Jîva) veroorzaakt
noemt men Karma. (08.03)
Sterfelijke wezens worden Adhibhûta genoemd. De uitbreiding van de Goddelijke
Persoonlijkheid – als Nârâyana, Mahâ-vişnu, Iśvara, enz. – worden Goddelijke
Wezens (Adhidaiva) genoemd. Ik ben de Superziel (Adhiyajna) wonend in het
lichaam als de innerlijke Getuige, o u beste onder de levende wezens (Arjuna).
(08.04)
DE THEORIE VAN REINCARNATIE EN KARMA
Wie in het ure des doods zijn gedachten op Mij gevestigd houdt, komt, wanneer
hij zijn lichaam verlaat tot Mij, daar is geen twijfel aan. (Zie ook PrU 03.10)
(08.05)
Aan welk object iemand denkt aan
het einde van zijn leven bij het verlaten van het lichaam, dat object bereikt
hij, o zoon van Kunti (Arjuna), daar hij er in gedachten steeds van vervuld was.
(Zie ook ChU 03.14.01) (08.06)
EEN EENVOUDIGE METHODE VAN DE GOD-REALISATIE.
Richt daarom uw gedachten steeds op Mij en vecht. Met uw gemoed en intellect op Mij
gevestigd zult gij ongetwijfeld tot Mij komen. (08.07)
Met een door Yoga en meditatie geoefend
gemoed, dat door niets anders wordt afgeleid, o zoon van Pritha, gaat men tot de
Verhevene Wezen. (08.08)
Wie steeds mediteert op de Verhevene Wezen (Para-Brahma) – als de Almachtige, de
Alwetende, de Heerser over het Al, de Kleinste van het kleine (en de grootste
van het hoogste), de Onderhouder van alles, onbegrijpelijk van vorm, glansrijk
als de zon, transcendentaal of verheven boven materiële realiteit – vastberaden,
onwrikbaar in toewijding gevestigd door de kracht van Yoga tot in de ure des
doods, zijn levensadem in het krachtmiddelpunt tussen de wenkbrauwen
samentrekkend, bereikte Kŗşna, de Verhevene Goddelijke Persoon. ( (Zie ook de
verzen 04.29, 05.27, 06.13, en YV 31.18, KaU 02.20) (08.09-10)
Ik wil u nu in het kort de toestand beschrijven die door de Veda-kenners het
onvernietigbare wordt genoemd, en die door hen bereikt worden die van
gehechtheid bevrijd zijn, begerig het leven te leiden, waartoe het celibaat
beoefend wordt. (Zie ook KaU 02.15) (08.11)
BEREIKT VERLOSSING DOOR OP HET UUR VAN DE DOOD OP GOD TE MEDITEREN
Hij, die alle poorten van het lichaam sluit, zijn gemoed op
God gevestigd houdt, en prâna (levensadem) in het hoofd vestigt, voortdurend
geconcentreerd in yogische praktijken; verzonken in meditatie op Mij, en de
heilige monosyllabe OM uitspreekt, het krachtige geluid van de Eeuwige Wezen
(Brahma), bereikt de verheven woonst. (08.12-13)
Ik ben gemakkelijk bereikbaar, o Pârtha (Arjuna), door de
altijd toegewijde yogi die steeds op Mij denkt, zonder zijn gedachten op iets
anders te richten. (08.14)
Deze verheven zielen die aldus tot Mij gekomen zijn, hoeven niet meer
herboren te worden in deze ellendige tijdelijke wereld, daar ze de hoogste
volmaaktheid hebben bereikt. (08.15)
De bewoners van alle werelden – tot en met de wereld van Brahmâ, de
schepper – zijn aan ellende en herhalende ‘komen en gaan’ onderworpen. Maar, wie
Mij heeft bereikt, o Arjuna, wordt niet wederom geboren.
(Zie ook 9.25) (08.16)
ALLES IN DE SCHEPPING IS CYCLISCH
Zij die weten dat de Dag van Brahmâ duizend Yuga’s duurt (een kalpa,
dit is 432.000.000 jaar), en dat ook de Nacht van Brahmâ duizend Yuga’s omvat,
kennen dag en nacht. (08.17)
Aan het begin van de dag komt uit het ongeopenbaarde al het geopenbaarde voort;
en, bij het vallen van de nacht lost het zich weer in het ongeopenbaarde op.
(08.18)
Deze menigte van wezens, die voortdurend te voorschijn komt, wordt bij het naderen
van de nacht weer opgelost, o zoon van Pritha (Arjuna), en emaneert opnieuw op
bij het aanbreken van de dag. (08.19)
Er is een andere eeuwige transcendentale bestaan dat niet vergaat –
hoger dan de veranderlijke materiële Natuur (Prakrti) - terwijl andere geschapen
wezens wel vergaan. Dat ongeopenbaarde Eeuwige Wezen (Avyakta Akşara
Brahma) wordt het onvergankelijke, het hoogste pad, ook Parama-dhâma, de
verheven woonst genoemd. Zij, die Mijn verheven woonst bereiken, keren niet
terug. (08.20-21)
TWEE FUNDAMENTELE VERTREKPADEN UIT DE WERELD
De verheven woonst, o Pârtha, waarin alle schepselen wonen en waardoor
het gehele universum wordt doordrongen, kan door onwankelbare toewijding aan Mij
alleen bereikt worden.
(Zie ook 9.04 en 11.55) (08.22)
O beste der Bharata’s (Arjuna), Ik zal u de verschillende paden uitleggen, op
welke tijd de yogi’s na het overgaan niet terugkeert, en tevens van de tijd
waarin men als yogi na het overgaan wel terugkeert. (08.23)
Vuur, licht, dag, de veertien dagen van de wassende maan, de zes
maanden van de noordelijke zonnebaan, daarin gaan de yogi’s die de Eeuwige Wezen
(Brahma) kennen, en bereiken Brahma. (Zie ook ChU 04.15.05, 05.10.01, BrU
06.02.15, PrU 01.10, en IsU 18) (08.24)
Rook, nacht, de donkere veertien dagen van de afnemende maan, en
terwijl de zon haar zuidelijke pad volgt, keren, wanneer de yogi’s het licht van
de maan bereikt hebben, terug tot de sterfelijke geboorte. ( Zie ook 09.21, ChU
05.10.03-05, BS 03.01.08) (08.25)
Deze twee paden van licht (door spirituele praktijken en
Zelfkennis), en duisternis (door materialisme en onwetendheid) worden geacht de
eeuwigdurende paden van de wereld te zijn. De ene leidt naar verlossing (Mukti,
Nirvâna), en de andere naar de wedergeboorte. (08.26)
TRANSCENDENTALE KENNIS LEIDT TOT VERLOSSING
Deze twee paden kennende, o Pârtha (Arjuna), is de yogi nooit in
verwarring. Wees daarom ten allen tijde met Mij standvastig in yoga. (08.27)
De yogi die deze kennis bezit, gaat voorbij aan de vruchten van
verdienstelijke daden verbonden aan de studie der Veda’s, het verrichten van
offers, ascetisme, ook liefdewerken, en bereikt Parama-dhâma, de Verheven
Eeuwige Woonst. (08.28)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen
Sri Kŗşna
en Arjuna, staat aldus het achtste hoofdstuk, genaamd “De Eeuwige
Geest”.
Hoofdstuk 9
DE VERHEVENE KENNIS EN HET GROTE GEHEIM
De Verhevene Heer zei: aan u die niet ongelovig bent, zal ik dit allerdiepste
geheim der transcendentale kennis en onderscheidingsvermogen openbaren. Wanneer
gij dit kent zult gij van de ellende der wereldse bestaan bevrijd worden.
(09.01)
KENNIS RONDOM DE NATUUR VAN
DE VERHEVENE IS HET GROOTSTE GEHEIM
Deze Zelfkennis is de koning van alle kennissen, het grootste geheim, het
allerheiligste, gekend door instinctieve ervaring, overeenkomstig de
gerechtigdheid (Dharma), gemakkelijk te beoefenen en onvergankelijk. (09.02)
O Parantapa (Arjuna), mensen die in deze kennis niet geloven, bereiken Mij niet,
maar keren terug naar het pad van dood en wedergeboorte. (09.03)
Het ganse universum is van Mijn ongeopenbaarde vorm doordrongen. Alle wezens zijn uit
Mij, maar Ik ben niet uit hen. (Zie ook 07.12) (09.04)
Aanschouwt de kracht van Mijn goddelijke geheim; in werkelijkheid, Ik – de
instandhouder van alle levende wezens – ben van hen niet afhankelijk, en
zij niet afhankelijk van Mij. (In feite, is de gouden keten niet van het goud
afhankelijk; de gouden keten is niets anders dan goud. Ook, zijn de materie en
energie verschillend en tevens aan elkaar ongelijk). (Zie ook BP 02.09.34-36)
(09.05)
Weet dat alle schepselen in Mij rusten, zoals de machtige lucht, die overal in
beweging, eeuwig in de ether verblijft. (09.06)
DE THEORIE VAN ONTWIKKELING
EN VERWIKKELING
Alle schepselen keren terug tot Mijn oorspronkelijke materiële Natuur (Âdi
Prakrti) aan het einde van een Kâlpa (of cyclus meer dan 311 triljoen
zonnestelsel jaren), o zoon van Kunti (Arjuna), en Ik schep hen opnieuw aan het
begin van een nieuwe Kâlpa. (Zie ook 8.17) (09.07)
Terwijl ik Mijn eigen materiële Natuur (Prakrti of Mâyâ) beheers, emaneer Ik
zonder ophouden deze ganse menigte onafhankelijke wezens, die hulpeloos onder de
controle staan van de geaardheden (Gunas) der materiële Natuur (Prakrti).
(09.08)
Al deze handelingen der schepping binden Mij niet, o Dhananjaya (Arjuna), daar
Ik onverschillig, onaangedaan blijf te midden van deze handelingen. (09.09)
De goddelijke kinetische kracht (Mâyâ) –met de hulp van de materiële Natuur
(Prakrti) – schept al het beweeglijke en het onbeweeglijke voort onder Mijn
toezicht, en zo houdt de schepping zich draaiend, o zoon van Kunti (Arjuna).
(Zie ook 14.03) (09.10)
DE PADEN VAN DE WIJZE EN VAN
DE ONWETENDE ZIJN VERSCHILLEND
De dwazen kijken niet verder dan Mijn uiterlijke wanneer Ik in menselijke vorm
voorkom, daar ze Mijn transcendentale natuur als de grote Heer van alle wezen
niet erkennen (en beschouwen Me als een gewone menselijke wezen). Omdat ze valse
hoop, valse handelingen, en valse kennis nastreven, hellen zij over tot de
natuur van de duivelse en demonische staten die erg misleidend is. (09.11-12)
Maar de grote zielen (mahatma), o Partha (Arjuna) die aan de goddelijke natuur
deel hebben (zie 16.01-03), kennen Mij als de onvernietigbare oerbron, de
materiële en efficiënte oorzaak deze schepping, en aanbidden Mij in liefdevolle
toewijding, hun denken alleen op Mij gericht. (09.13)
Vastberaden personen aanbidden Mij in ijverige, standvastige toewijding door
Mijn glorie onophoudelijk te bezingen, buigend voor Mij in aanbidding, bereiken
ze Mij. (09.14)
Sommige aanbidden Mij door het offer der kennis. Anderen vereren de
Alomaanwezige als de Ene in allen (of, zonder dualiteit), als de Meester van
allen (of, dualiteit), dat zich in alle richtingen uitstrekt. (09.15)
ALLES IS DE MANIFESTATIE VAN
DE ABSOLUUT
Ik ben het ritueel, Ik ben het offer, Ik ben de offerande, Ik ben het kruid, Ik
ben de mantra, Ik ben de geklaarde boter (ghî), Ik ben het vuur, en Ik ben
degene die het offer ontvangt. (Zie ook 04.24) Ik ben de instandhouder van het
gehele universum, de vader, de moeder, en de grootvader. Ik ben wat gekend moet
worden, de heilige syllabe OM, en ook de Rig-, Sama- en Yagur-Veda. Ik ben
het doel, het toevluchtsoord, de Heer, de getuige, de woonst, de toevlucht, de
vriend, de oorsprong, de oplossing, de grondslag, de schatkamer (het substraat),
en het onvergankelijke zaad. (Zie ook 07.10 en 10.39) (09.16-18)
Ik geef hitte, Ik stuur de regen en neem ze terug. Ik ben de onsterfelijkheid en
ook de dood. Evenzo, ben Ik de Absolute (Sat of Akşara) en het tijdelijke (Asat
of Kşara), o Arjuna. (De Verheven Wezen is alles geworden, zie ook 13.12).
(09.19)
VERLOSSING BEREIKT DOOR DEVOTIONELE LIEFDE
Zij die de voorgeschreven rituelen in de drie Veda’s volbrengen, die het
soma-sap der toewijding drinken, en gezuiverd zijn van zonden, aanbidden Mij
door goede daden (Yajna) te verrichten om het hemelpad te bereiken. Als
resultaat voor hun verdienstelijke daden gaan ze naar de hemel en genieten van
de hemelse genoegens der goden. (09.20)
Nadat zij de uitgestrekte hemelwereld hebben genoten, keren ze naar de
sterfelijke wereld terug, wanneer hun goede Karma (Punya, verdiensten) is
uitgeput. Toch, wie de Vedische wetten naleven, maar handelen enkel om te
oogsten, blijven aan geboorte en dood onderworpen. (Zie ook 08.25) (09.21)
Ik verzorg persoonlijk het spirituele en materiële welzijn van ieder standvastige
toegewijde wier gemoed nooit afdwaalt, en Mij steeds herinnert en aanbid in een
niet-aflatende contemplatie. (09.22)
O zoon van Kunti (Arjuna), zelfs de toegewijden die in geloof en vertrouwen
andere goden vereren, aanbidden Mij, ofschoon niet op de juiste wijze. (09.23)
Als de Verhevene Wezen (Para-Brahma), ben Ik alleen de genieter van alle
offerbare diensten (Yajna), en de Heer van het universum. Maar, de mensen kennen
Mijn ware transcendentale natuur niet; daarom, vallen zij (in de herhalende
cyclus van geboorte en dood). (09.24)
Aanbidders van de halfgoden (Deva’s) gaan naar de Devas, de aanbidders van de
voorouders gaan naar de voorouders, en de aanbidders van de natuurgeesten naar
de natuurgeesten, maar Mijn toegewijden komen tot Mij (en worden niet
wedergeboren). (Zie ook 08.16) (09.25)
DE HEER AANVAARDT EN EET HET
OFFER VAN LIEFDE EN DEVOTIE
Van hem (of zij) die met toewijding aan Mij een blad, een bloem, een vrucht of water
offert, aanvaard en eet Ik het toegewijde offer van dat zelf dat naar zuiverheid
streeft. (Zie ook BP 10.81.04) (09.26)
O zoon van Kunti (Arjuna), wat u ook doet, wat u ook eet, wat u ook offert als
offerande op het heilige vuur, wat u als gave ook schenkt, hoe ascetisch u ook
bent, doe alles als een offer aan Mij. (Zie ook 12.10, 18.46) (09.27)
Zo gaat u bevrijdt worden van de boeien van Karma – of die goed of slecht zijn –
met de gedachte gericht op het pad van onthechting (Samnyâsa-yoga). Zodoende,
gaat u, wanneer u bevrijd bent, tot Mij komen. (09.28)
Het Zelf is in alle wezens gelijk, en Ik koester voor niemand voorliefde of haat.
Maar, hen die Mij met liefde en toewijding aanbidden, zijn in Mij en Ik in hen.
(Zie ook 07.18) (09.29)
ER IS GEEN ZONDAAR DIE NIET
KAN VERGEVEN WORDEN
Zelfs de ergste zondaar die beslist Mij met onverdeelde liefdevolle toewijding te
aanbidden, dan moet hij als een rechtvaardige worden beschouwd, want het juiste
besluit werd getroffen. (09.30)
Zulk een persoon wordt spoedig rechtvaardig en verwerft eeuwige vrede. Weet en
verkondigt, o zoon van Kunti (Arjuna), dat Mijn toegewijde nimmer zal teloor
gaan of afvallen. (09.31)
HET PAD VAN DEVOTIONELE
LIEFDE IS GEMAKKELIJKER
Wie tot Mij in liefdevolle toewijding hun toevlucht nemen, ongeacht de afkomst,
vrouwen, kooplieden, werkmensen, en de laaggeborenen, bereiken ook de verheven
woonst, o zoon van Pritha (Arjuna). (Zie ook 18.66) (09.32)
Hoeveel te meer dan voor de heilige Brahmanen en toegewijde koninklijke wijzen
om de Verhevene Wezen te bereiken. Daarom, nu gij die deze vergankelijke en
vreugdeloze wereld betreden hebt, vereert Mij met liefdevolle toewijding.
(09.33)
Vestigt uw gemoed op Mij, en wees Mij toegewijd, aanbidt Mij, en buig voor Mij neer.
Eén geworden met Mij, zult ge zeker tot Mij komen, als de enige toevlucht en
verheven doel. (09.34)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen
Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het negende hoofdstuk, genaamd “De
Verhevene Kennis en het grote Geheim”.
Hoofdstuk 10
DE MANIFESTATIE DER ABSOLUTE
De Verhevene Heer zei: o Machtigarmige (Arjuna), luister nogmaals naar Mijn
verheven woord die Ik tot u, die Mij dierbaar bent, voor uw welzijn ga richten.
(10.01)
GOD IS HET BEGIN VAN ALLES
Noch de halfgoden (Devas), noch de grote
wijzen kennen Mijn oorsprong, want Ik ben de bron van alle Devas en ook de grote
wijzen overal. (10.02)
Hij, die Mij kent als de Ongeborene, de beginloze, en de Verheven Heer van het
universum, wordt als zijnde wijs onder de stervelingen beschouwd, en is aan de
gebondenheid der karma bevrijd. (10.03)
Waarnemingsvermogen, Zelfkennis, doelbewustheid, vergevingsgezindheid, waarheid,
zelfbeheersing, kalmte, vreugde, pijn, geboorte, dood, angst, onbevreesdheid,
geweldloosheid, gelijkmoedigheid, tevredenheid, zelfdiscipline (ascese),
liefdadigheid, eer en oneer – deze diverse kenmerken der menselijke wezens komen
in werkelijkheid uit Mij voort. (10.04-05)
Der zeven grote wijzen, en de vier aloude Sanakas (grondleggers), en de veertien
Manus, waar alle aardse schepselen uit zijn ontstaan, vinden hun oorsprong in
Mijn potentiële energie. (10.06)
Hij, die Mijn verschijningsvormen en yogische krachten werkelijk begrijpt, is in
onwankelbare devotie met Mij verbonden. Daaraan valt niet te twijfelen. (10.07)
Ik ben de oorsprong van alles. Alles komt uit Mij voort. Dit begrijpend, de wijzen
aanbidden Mij in liefde en devotie. (10.08)
Deze wijze toegewijden zijn steeds tevreden en vervuld. Hun gedachten zijn
volledig op Mij gericht, en hun leven aan Mij onderworpen. Zij spreken
voortdurend met elkaar over Mij (10.09
DE HEER SCHENKT ZIJN TOEGEWIJDEN KENNIS
Aan hen die mij steeds toegewijd zijn en Mij met liefde aanbidden, geef Ik de
yoga van het onderscheidingsvermogen, waardoor zij tot Mij kunnen komen. (10.10)
Wonend in hun innerlijke psyche als bewustzijn, vernietig Ik uit louter
mededogen de duisternis van hun onwetendheid door de heldere lamp van
transcendentale kennis. (10.11)
Arjuna zei: U bent de Verhevene Wezen, de Verhevene Toevluchtsoord, de Verheven
Reiniger, de Eeuwige, Goddelijke Wezen, de Oergod, de Ongeborene, de
Alomtegenwoordige. Alle wijzen hebben U verkondigd. De goddelijke Nârada, Asita,
Devala, Vyâsa, en nu zegt u het ook tegen mij. (10.12-13)
O Kŗşna, wat U mij allemaal zegt houd ik voor waar. O Heer, noch de afgoden
(Devas), noch de demonen, kennen Uw ware natuur. (Zie ook 04.06) (10.14)
O Schepper en Heer van alle wezens, de God van alle hemelse heersers (Devas),
Verheven Persoon, en Heer van het universum, U bent Zelf de enige, die weet wie
en wat u bent. (10.15)
Daarom, wil mij toch gans Uw eigen goddelijke heerlijkheid en
verschijningsvormen verkondigen, waarmee U deze werelden hebt en blijft
doordringen. (10.16)
O Soevereine Yogi (Kŗşna), hoe moet ik voortdurend mediteren om U te kennen? In
welke verschijningsvorm zult U door mij overdacht moeten worden, o
Gezegende Heer? (10.17)
O Janardana (Kŗşna), vertel mij nogmaals heel precies over Uw yogische krachten
en Uw heerlijkheid; want ik kan niet genoeg verzadigd worden door het aanhoren
van uw levengevende woorden. (10.18)
ALLES IS EEN MANIFESTATIE DER
ABSOLUTE
De Verhevene Heer zei: o beste der Kurus (Arjuna), Ik zal u nu het voornaamste
van Mijn goddelijke verschijningsvormen uitleggen, want Mijn volheid kent geen
grenzen. (10.19)
O Gudâkeśa (Arjuna), Ik ben de Geest (Atmâ) die in de innerlijke psyche van alle
wezens zetelt. Ik ben het begin, het midden en ook het einde van alle wezens.
(10.20)
Ik ben Vişnu tussen de (twaalf) zonen van Aditi, Ik ben de stralende zon tussen
de lichten, Ik ben Marīci tussen de windgoden (Maruts), Ik ben de maan tussen de
sterren. (10.21)
Ik ben de Samāveda tussen de Veda’s, Ik ben Indra tussen de hemelse heersers
(Devas). Ik ben het gemoed tussen de zinnen, Ik ben het bewustzijn in de levende
wezens. (10.22)
Ik ben Siva van de Rudras, ik ben Kubera van de Yakşas en de demonen, Ik ben het
vuur van de Vasus, en van de bergtoppen ben Ik Meru. (10.23)
Onder de priesters, o zoon van Pritha (Arjuna), ben Ik het hoofd, Brihaspati. Ik
ben Skanda onder de legeraanvoerders. Ik ben de oceaan van de watervlakten.
(10.24)
Ik ben Bhrgu tussen de grote wijzen; Ik ben de kosmische monosyllabe geluid OM,
van tussen de woorden; Ik ben Japa-yajna onder de spirituele disciplines
(yajna); en Ik ben de Himalaya tussen de onbeweeglijke dingen. (10.25)
EEN KORTE BESCHRIJVING VAN DE
GODDELIJKE MANIFESTATIES
Onder de bomen ben Ik de Asvattha (de heilige vijgenboom), Nârada onder de
goddelijke wijzen, Citraratha onder de Gandharvas, en de wijze Kapila (de
denker, die de Sankhya filosofie verkondigd heeft) onder de Siddhas. (10.26)
Weet, dat Ik onder de paarden Uccaihśravas
ben, en geboren uit de oceaan der nectar, het vorstelijke rijdier Airâvata
onder de olifanten, en koning onder de mensen. Onder de wapens ben Ik de
bliksem, Kâmadhenu onder de koeien, Ik ben de macht van het verlangen, Kandarpa,
de liefdesgod, en Ik ben Vâsuki, de koning der slangen. (10.27-28)
Ik ben de eindeloze kosmische slang Ananta onder de Nâgas, Varuna onder de
watergoden, en Aryamâ onder de voorzaten. Ik ben van hen die orde en
gerechtigheid handhaven. Ik ben Yama, de god van de dood. Ik ben Prahlâda
geboren onder de Daitya’s (demonen), de tijd ben Ik onder de rekenaars, de leeuw
onder de dieren, en Garuda onder de vogels. (10.29-30)
Ik ben de wind onder de zuiveraars, en de Heer Râma onder de strijders. Ik ben
de haai tussen de vissen, en de heilige Ganges onder de stromende rivieren.
(10.31)
Ik ben het begin, het midden, en het einde van de schepping, O Arjuna. Van de
wetenschappen ben Ik de kennis van het verheven Zelf. Ik ben de logica van alle
redenaars. (10.32)
Ik ben de letter “A”, en van alle samengestelde woorden de Dvandva. Ik ben de
eindeloze tijd (Akşaya Kâla). Ik ben de behoeder van alles, wiens menigvuldige
gezichten naar alle kanten kijken (of, Ik ben de Alomtegenwoordige). (10.33)
Ik ben het alles verslindende Dood, en de oorsprong van komende wezens. Ik ben
de zeven godinnen (Devis) of engelbewaarders fungerende over de zeven
kwaliteiten – roem, voorspoed, rede, geheugen, intellect, standvastigheid en
vergevingsgezindheid. (10.34)
Ik ben Brhatsâma onder de Samâ hymnen. Ik ben Gâyatri onder de Vedische mantras,
Ik ben November-December (de Mârgaśîrsha) onder de maanden, en Ik ben de lente
(Kasumâkara) onder de jaargetijden. (10.35)
Van de bedriegers ben Ik de kansspelen; de Glans van de glansrijke zaken; Ik ben de
overwinning en de vastberadenheid; en de goedheid onder de goeden. (10.36)
Ik ben Vâsudeva (Krsna) uit de Vrsnî familie, van alle Pandavas ben Ik Arjuna,
onder de wijzen ben Ik Vyâsa, en Uśanâ onder de dichters. (10.37)
Ik ben de kracht (scepter) van de heersers; van degenen die de overwinning
zoeken, ben Ik het staatsmanschap; van de geheimen ben Ik het stilzwijgen, en de
Zelfkennis van de wijzen. (10.38)
Ik ben de oorsprong of het zaad van alle wezens, o Arjuna. Er is niets bewegend
of onbewegend, dat zonder Mij kan bestaan. (Zie ook 07.10 en 09.18) (10.39)
DE GEMANIFESTEERDE SCHEPPING IS MAAR EEN HEEL KLEINE FRACTIE VAN DE ABSOLUTE
Er is geen eind aan Mijn goddelijke verschijningsvormen, o Parantapa (Arjuna).
Wat nu door Mij werd verteld is maar een korte beschrijving van Mijn oneindige
verschijningsvormen. (10.40)
Hoe glorierijk, schitterend en machtig de gemanifesteerde schepselen ook zijn,
bedenk dat ze uit één vonk van Mijn pracht voorkomen. (10.41)
Maar waartoe dient u deze uiteengezette kennis, o Arjuna? Ik ondersteun
voordurend het hele universum met slechts een fractie van Mijn goddelijke kracht
(Yoga-maya). (Zie ook ChU 03.12.06) (10.42)
In de Upanishads, genaamd de heilige Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de
Allerhoogste Geest, in het boek van devotie, in de samenspraak tussen
Sri Kŗşna
en Arjuna, staat aldus het tiende hoofdstuk, genaamd “De
Manifestatie der Absolute”
HOOFDSTUK 11
HET VISIOEN DER KOSMISCHE VORM
Arjuna zei: mijn illusie is verdreven door uw onderricht over het
verheven geheim van de Eeuwige Wezen (Brahma), die u uit mededogen tot mij hebt
gesproken. (11.01)
O Heer met Uw lotusogen (Kŗşna), nauwkeurig heb ik van U gehoord over
het ontstaan en vergaan der wezens, evenals Uw onvergankelijke heerlijkheid.
(11.02)
GOD’s VISIOEN IS HET UITERSTE
DOEL VAN DE ZOEKER
O verheven Heer, zoals U zichzelf hebt beschreven, wens ik nu
Uw goddelijke kosmische vorm te zien, o Purushottama (Kŗşna). (11.03)
O Heer, als U het mogelijk acht voor mij om Uw universele vorm te
aanschouwen, o Heer der yogi’s, openbaar dan uw transcendentale vorm. (11.04)
De Verhevene Heer zei: O Pârtha (Arjuna), aanschouw mijn honderden,
duizenden verschillende goddelijke vormen van velerlei kleur en variaties.
(11.05)
Zie de Âditya’s, de Vasu’s, de Rudra’s, de Aśvins (tweelingen) en de
Maruts. O Bhârata (Arjuna), aanschouw alle wonderlijke dingen die nog nooit
werden gezien. (11.06)
O Gudâkeśa (Arjuna), aanschouw nu de ganse schepping, het beweeglijke
en het onbeweeglijke, en wat u verder daarin wenst te zien, verenigt als één in
Mijn lichaam. (11.07)
Maar, u bent niet in staat Mij met uw fysische ogen te zien; daarom,
geef Ik u het goddelijke oog om Mijn majestueuze macht en heerlijkheid te
aanschouwen. (11.08)
DE HEER TOONT DE KOSMISCHE
VORM AAN ARJUNA
Samjaya zei: nadat o Koning, Hari (Kŗşna), de grote Heer der mystieke
yogische kracht, had gesproken, openbaarde Hij Zijn verheven majestueuze vorm
aan de zoon van Pritha (Arjuna). (11.09)
Arjuna zag de Universele Vorm van de Heer met vele monden en ogen, met
talloze wonderlijke visioenen, allerlei schitterende sieraden, en met vele
omhoog geheven goddelijke wapenen. Getooid met goddelijke bloemenkransen en
gewaden, gezalfd met hemelse oliën en parfums, schitterend, oneindig, met het
gezicht naar alle kanten gericht. (11.10-11)
Als duizenden zonnen tegelijk aan de hemel zouden verschijnen, dan zou
hun schittering daarvan overeenkomen met de pracht van het verhevene wezen.
(11.12)
Pândava (Arjuna) aanschouwde het ganse universum en al zijn
verschillende vormen als één geheel in het transcendentale lichaam van Kŗşna, de
Heer van de hemelse heersers (Devas). (Zie ook 13.16, en 18.20) (11.13)
EEN PERSOON ZOU NOG NIET BEREIDT OF GEKWALIFICEERD ZIJN DE HEER TE ZIEN
Dhananjaya (Arjuna) was met verbazing getroffen, (bij het aanschouwen
van de kosmische vorm van de Heer); wiens haren rezen te berge, boog zijn hoofd
voor de Heer en bad met gevouwen handen. (11.14)
Arjuna zei: o Heer, Ik zie alle halfgoden (Devas) en ook alle soorten
levende wezens, in Uw lichaam verenigd; alle wijzen, hemelse slangen, de Heer
Śiva en ook de Heer Brahma op zijn lotusbloem gezeten. (11.15)
O Heer van het universum, ik zie U overal in oneindige
vormen, met talloze armen, buiken, gezichten en ogen. O Universele Vorm, ik zie
noch Uw begin, noch uw midden, noch uw einde. (11.16)
Ik zie U getooid met uw kroon, scepter en discus, stralend alom, en
moeilijk te aanschouwen, in iedere richting schijnend zoals de schittering van
de zon of een laaiend vuur. (11.17)
Ik geloof dat U de Verhevene Wezen (Para-Brahma) bent, de enige dat
gerealiseerd (of, gekend) dient te worden. U bent het toevluchtsoord van het
universum. U bent de Eeuwige Wezen (Brahma, Atmâ, Geest), en de beschermer van
de eeuwige wet (Dharma). (11.18)
Ik zie Uw oneindige kracht, zonder begin, midden, of einde; met
talrijke armen, met de zon en de maan als Uw ogen, met uw mond als een laaiend
vuur dat het hele universum met stralende pracht vervult. (11.19)
O Mahâtma (Grote Ziel), de volledige ruimte tussen hemel en aarde in
alle richtingen zijn vervuld van U alleen. Bij het zien van Uw wonderlijke en
schrikaanjagende vorm, sidderen de drie werelden (Lokas). (11.20)
De heerscharen der halfgoden gaan tot U in. Sommigen roepen u
verschrikt aan met gevouwen handen en zingen Uw Namen en heerlijkheden. Scharen
van Maharshi’s en Siddha’s begroeten en aanbidden U met overvloedige
lofprijzingen. (11.21)
Rudra’s, Âditya’s, Vasu’s, Sâdhya’s, Viśva’s, de Aśvins, de Maruts, de
Ûshmâpa’s, de Gandharvas, de Yaksha’s, de Asura’s en Siddha’s, al deze hemelse
wezens aanschouwen U vol ontzag. (11.22)
Alle werelden die Uw oneindige vorm aanschouwen met vele monden, ogen,
armen, dijen, voeten, buiken en schrikwekkende tanden, beven van angst, en ik
ook, o Machtigarmige (Mahâ-bâho) (Kŗşna) (11.23)
ARJUNA IS BEVREESD OM DE
KOSMISCHE VORM TE ZIEN
Uw vorm, laaiend met talrijke kleuren bedekt de hemel, Uw wijd open
monden en grote schitterende ogen, verschrikken mij, en heb alle moed en vrede
verloren, o Vishnu (Kŗşna). (11.24)
Wanneer ik Uw monden zie met hun schrikwekkende tanden, aan het
verslindende vuur van Kâla (de Tijd) gelijk, ben ik verloren en troostloos. O
Heer der hemelse heersers (Devas), toevluchtsoord van het universum, ontferm U
over mij. (11.25)
De zonen van Dhrtarâstra evenals de schare vorsten; Bhîsma, Drona,
Karna samen met onze edelste krijgers, komen haastig binnen uw afschrikwekkende
monden vol met slagtanden. Sommige ziet men tussen Uw tanden gevangen, hun
hoofden verplettert en tot stof verbrijzeld. (11.26-27)
Deze machtige strijders uit de sterfelijke wereld worden door Uw vurige
monden ingedreven, zoals vele rivieren naar de oceaan stromen. (11.28)
Al deze mensen vliegen haastig in Uw monden om daar te worden
vernietigd, zoals de motten die met grote snelheid in de brandende vlammen
vliegen om daarin de dood te vinden. (11.29)
U lekt verslindend allerwegen de werelden met Uw vlammende tongen. Uw
machtige stralen vervullen het ganse universum met hun felle gloed en
verschroeien alles, o Vishnu (Kŗşna). (11.30)
Vertel mij wie u bent in deze verschrikkelijke vorm? Voor U buig ik, o
beste der hemelse heersers (Devas), heb genade! Ik wens U te begrijpen, o
Oorspronkelijke Wezen, daar ik Uw opdracht niet ken. (11.31)
DE HEER BESCHRIJFT ZIJN
KRACHTEN
De Verhevene Heer zei: Ik ben de Tijd (kâlo), de grote
wereldvernietiger. Ik ben gekomen om al deze mensen te verslaan. Ook zonder uw
ingrijpen in de strijd, zullen al deze krijgers in tegenovergestelde gelederen
geschaard voor de slag, ophouden te bestaan. (11.32)
Daarom, sta dus op, en behaal de roem. Overwin de vijanden, en geniet
van een voorspoedig koninkrijk. Al deze krijgers zijn al door Mij verslagen. U
bent slechts een instrument, o Savyasâchin (o Linkshandige) (Arjuna). (11.33)
Dood Drona, Bhîsma, Jayadratha, Karna, en andere grote strijders die al
door Mij zijn gedood. Vrees niet. U zult al uw vijanden overwinnen; daarom,
strijd! (11.34)
ARJUNA’s GEBEDEN TOT DE
KOSMISCHE VORM
Samjaya zei: nadat hij deze woorden van Keśava had gehoord, sprak
Kirîtin (de gekroonde Arjuna) met verstikte stem en bevende van angst, de handen
eerbiedig tegen elkaar, buigend voor Kŗşna: (11.35)
Arjuna zei: inderdaad, o Hrishîkeśa (Kŗşna), de wereld verheugt zich en
verheerlijkt U vol vreugde. Afschuwelijke demonen (Râkshasa’s) vluchten in alle
richtingen. De schare van Siddha’s buigen in aanbidding voor U neer. (11.36)
Hoe zouden zij ook anders, o Mahâtman (o grote ziel), voor U buigen, de
oorspronkelijke Schepper die zelfs groter is dan Brahmâ, de schepper der
materiële werelden? O oneindige Heer, o God van alle hemelse heersers (Devas), o
Toevluchtsoord van het universum, U bent Sat (Eeuwig) zowel als Asat
(Tijdelijk), en de Verhevene Wezen (Para-Brahman). U bent Dát, transcendentaal.
(11.37)
U bent de oorspronkelijke God, de alleroudste Persoon. U bent de
allerhoogste verblijfplaats van het universum. U bent de kenner, het onderwerp
der kennis, en het verheven oord. Het ganse universum wordt door U doordrongen,
o onbegrensde Heer. (11.38)
U bent Vâyu, Yama, Agni, Varuna, Saśânka, en Brahmâ, zowel als de vader
van Brahmâ. Ere bent u duizendvoudig, en altijd weer, ‘geëerd bent U’. (11.40)
Onbekend met Uw Majesteit, hield ik U voor een vriend, en mij aan U
onbedacht en achteloos in mijn genegenheid voor U opdrong als “o Kŗşna, o
Yâdava, o Vriend”. (11.41)
Vergeef mij als ik voor de grap me oneerbiedig heb gedragen of te
vriendschappelijk ben geweest tijdens het spel, in de rustpoos, bij het zitten,
of tijdens een maaltijd, alleen of in gezelschap. O Kŗşna, de Onwrikbare, ik
smeek U om vergiffenis. (11.42)
U bent de Vader van het beweeglijke en onbeweeglijke, de grootste
goeroe die men kan aanbidden en vereren. Niemand is aan U gelijk in de drie
werelden. Wie kan U evenaren? O Wezen van onvergelijkelijke Majesteit! (11.43)
Daarom, o lovenswaardige Heer, ik buig voor U neder, en neergebogen
smeek ik U om barmhartigheid. Vergeef mij zoals van vader naar zoon, van vriend
naar vriend, en van echtgenoot tot zijn geliefde vrouw, o Heer. (11.44)
Ik heb gezien wat niemand ooit heeft aanschouwd en ik verheug mij, maar
mijn gemoed is toch vervuld met vrees. Daarom, o God van de hemelse heersers
(Devas), toevluchtsoord van het universum, heb genade, en toon mij Uw andere
(vierarmig) vorm. (11.45)
MEN KAN GOD IN EENDER VORM OF
NAAR KEUZE ZIEN
Ik verlang U te zien de kroon op het hoofd, de scepter en discus in de
hand zoals voorheen. Daarom, o Heer, o Duizendarmige, o Universele Vorm,
verschijn in Uw vier-armige gestalte. (11.46)
De Verhevene Heer zei: o Arjuna, met genoegen heb Ik u Mijn eigen
yogische krachten getoond. Deze vorm van Mij, glansrijk, universeel, oneindig,
oorspronkelijk, is door niemand ooit aanschouwd behalve nu door u. (11.47)
O held der Kuru’s (Arjuna), noch door de studie der Veda’s, of door
offers, liefdadigheidswerken, rituelen, en strenge ascese, kan Ik in deze
kosmische vorm door iemand anders dan u in de menselijke wereld gezien worden.
(11.48)
DE HEER TOONT ARJUNA ZIJN
VIERARMIGE EN MENSELIJKE VORM
Wees niet verontrust noch verward daar u Mijn verschrikkelijke vorm
zag. Met een vreesloos en verheugd gemoed, aanschouw Mij opnieuw in de vroegere
(vierarmig) gedaante. (11.49)
Samjaya zei: nadat Vâsudeva (Kŗşna) zo tegen Arjuna had gesproken, nam
Hij zijn voormalige (vierarmig) vorm weer aan. En aldus, in een zachtmoedige
gedaante gehuld, verdreef de Mahâtman (de Verheven Ziel) Arjuna’s vrees. (11.50)
Arjuna zei: o Janârdana (Kŗşna), nu ik Uw zachtmoedige menselijke vorm
zie, is mijn gemoed gekalmeerd, en ben ik opnieuw mijzelf. (11.51)
DE HEER KAN IN LIEFDEVOLLE
DEVOTIE GEZIEN WORDEN
De Verheven Heer zei: deze (vierarmig) vorm van Mij, die U hebt gezien,
is zeer moeilijk te aanschouwen. Zelfs de halfgoden (Devas) verlangen steeds
deze vorm te zien. (11.52)
Het aanschouwen van de (vierarmig) vorm die u hebt gezien,
kan noch door de studie van de Veda’s, noch door ascese, noch door
liefdadigheidswerken, noch door het offeren gezien worden, zoals Ik Mij aan u
hebt laten zien. (Zie ook KaU 02.23) (11.53)
Alleen door onwankelbare toewijding aan Mij, kan Ik in deze
vorm gezien, werkelijk gekend, en benaderd worden, o Arjuna. (11.54)
Hij, wiens handelingen slechts Mij gewijd zijn, en voor wie
Ik het verheven doel ben, die mijn toegewijde (devoot) is, vrij van gehechtheid,
zonder haat tegenover welk wezen ook; bereikt Mij, o zoon van Pandu (Arjuna).
(11.55)
In de Upanishads, genaamd de heilige
Bhagavad Gîtâ, in de wetenschap van de Allerhoogste Geest, in het boek van
devotie, in de samenspraak tussen de Sri Kŗşna en Arjuna, staat aldus het elfde
hoofdstuk, genaamd “Het Visioen der Kosmische Vorm”
Hoofdstuk 12
HET PAD DER TOEWIJDING
ZOU MEN EEN PERSOONLIJKE OF
EEN ONPERSOONLIJKE GOD MOETEN AANBIDDEN
Arjuna zei: wie worden er beschouwd als méér volmaakt: degenen die zich op de juiste
wijze verbonden hebben in toegewijde dienst aan U, of degenen die de
onpersoonlijke, vormloze God aanbidden? (12:01)
De Verhevene Heer zei: zij wiens geest gericht is op Mijn persoonlijke gedaante en
die altijd bezig is Mij met groot en verheven geloof te aanbidden, die beschouw
Ik als de hoogste in Yoga. (12.02)
Maar zij die het Onvergankelijke, Onbeschrijfelijke, Onzichtbare,
Allesdoordringende, Ondenkbare, Onveranderlijke, Onbeweeglijke, Eeuwige Wezen
(Brahma) aanbidden, al hun zinnen beteugeld hebben, aandacht hebbend voor het
welzijn van alle schepselen, zullen ook Mij bereiken. (12: 03-04)
REDENEN WAAROM EEN
PERSOONLIJKE VORM VAN GOD TE AANBIDDEN
Zelfrealisatie is moeilijker voor hen die hun gemoed op een onpersoonlijke,
ongemanifesteerde, en vormloos Absolute vestigen; daar het ongemanifesteerde
moeilijk te begrijpen is voor hen die in een lichaam leven. (12:05)
Voor hen die Mij aanbidden, die al hun handelingen aan Mij wijden en Mij
onveranderlijk trouw zijn, die verbonden zijn in toegewijde dienst en altijd op
Mij mediteren, die hun gedachten op Mij gericht houden, O Arjuna, - voor hen ben
Ik de spoedige redding uit de oceaan van geboorte en dood. (12: 06-07)
VIER PADEN TOT GOD
Daarom, vestig uw gemoed op Mij, en laat uw intellect op Mij alleen verblijven door
meditatie en contemplatie. Hierna zult ge ongetwijfeld Mij bereiken. (12:
08)
Maar als u niet in staat bent uw aandacht standvastig op Mij gericht te houden,
probeer dan tot Mij te komen door de yoga van oefening (Sādhanā), O Arjuna.
(12:09)
Zo u ook niet opgewassen bent tot deze geestelijke beoefening (Sādhanā), houd u
dan ijverig bezig in dienstbetoon aan Mij; door al het handelen
onbaatzuchtig aan Mij op te dragen, en volmaaktheid bereiken. (Zie ook 09:27,
18:46 (12:10)
Zo u zelfs hiertoe niet in staat bent, neem dan uw toevlucht tot eenwording met
Mij; geef alle resultaten van handeling op en bewerkt zelfbeheersing. (12:11)
KARMA-YOGA IS HET BESTE OM
ERMEE TE BEGINNEN
Schriftuurlijke kennis (Jnana) is beter dan louter rituele praktijken (Adhyasa);
meditatie is beter dan schriftuurlijke kennis; beter dan meditatie is verzaking
(Tyāga) aan de vruchten van handeling; de onthechting aan de vruchten van
handeling (Karma-phala-tyaga) leidt onmiddellijk tot vrede (Shanti) . (Zie meer
over het onderwerp ‘verzaking’ in 18.02, 18.09) (12:12)
DE ATTRIBUTEN VAN EEN
TOEGEWIJDE
Wie niet afgunstig, maar een goede vriend van alle levende wezens is, vrij van
zelfzucht en hoogmoed, gelijkmoedig in geluk en verdriet, altijd vergeving
schenkt, steeds voldaan en onwankelbaar in het verrichten van toegewijde dienst
aan Mij en wiens geest en verstand op Mij zijn afgestemd – die is Mij zeer
dierbaar. (12: 13-14)
Wie niemand in moeilijkheden brengt, zich niet door angst laat verontrusten en
evenwichtig is in geluk en verdriet, ook hij is mij dierbaar. (12:15)
Wie volledig onthecht, zuiver, verstandig, onverdeeld, en door niets verontrust
is, wie alle initiatief heeft opgegeven en Mij toegewijd is, die is Mij
dierbaar. (12: 16)
Wie zich niets aantrekt van vreugde of verdriet, wie klachten noch begeerten
koesteren en wie zich noch met prettige, noch met onprettige zaken inlaat, is
Mij zeer dierbaar. (12: 17)
Wie gelijkgezind is tegenover vriend en vijand, wie evenwichtig blijft in eer en
schande, in hitte en kou, geluk en verdriet, roem en smaad, zonder gehechtheid
is, altijd zwijgzaam en met alles tevreden, wie zich niet bekommert om zijn
onderdak, wie in kennis verankerd is en bezield in toegewijde dienst, is Mij
zeer dierbaar. (12: 18-19)
|